Ongestoorde vrijheid

S. Montag

In Het Parool van 21 september staat een interessant artikel van Marc Kruyswijk over het wachten. We besteden ongeveer een jaar van ons leven aan deze ‘frustrerende vorm van tijdverspilling’. In de supermarkt, voor het loket, in de file, op het station, voor de bioscoop – overal sta je in de rij op je beurt te wachten. Goed beschouwd is het een verbeuzeling van je tijd. Maar laten we niet wanhopen. Er zit verbetering in.

Overal is de hyperautomatisering in aantocht. „Over tien jaar loop je met je karretje en al door een poortje, waarmee je gelijk hebt afgerekend”, aldus Gerard Rutte, een ‘supermarktdeskundige’ die in het stuk aan het woord komt.

In deze tijd leven we al vrij snel maar het kan nog veel sneller. Er komt een ogenblik waarop de laatste wachtende ter wereld van die vloek zal worden bevrijd. Iedereen op al zijn wenken bediend, mensheid gelukkig.

Wachten is een non-bezigheid tussen twee activiteiten die je hoe dan ook als onvermijdelijk beschouwt. Er is een ruimte in de tijd waarin je geen doel hebt en gedwongen bent niets te doen omdat er geen andere keus is.

Sommige bedrijfstakken en beroepen hebben een speciale ruimte ingericht om die doelloze periode dragelijk te maken. Dokters en tandartsen hebben een wachtkamer waar je soms een paar medepatiënten kunt bezichtigen en vaak ligt er lectuur, soms van een genre dat je in je dagelijks leven niet onder ogen krijgt.

De eerste klas-wachtkamer van het Centraal Station in Amsterdam is een ruimte waar ik voor mijn plezier zit terwijl ik een croquet eet. Mijn tandarts heeft zich gespecialiseerd in lectuur over geschiedenis en architectuur. Ook een pleziertje. En ik ken een ziekenhuis waar de wachtende patiënt zich met de Privé en dergelijke lectuur kan vermaken. Een andere wereld, je kijkt ervan op.

Terwijl de wachtende mens wordt beziggehouden door wat er straks voor hem zal aanbreken, beseft hij niet dat hij een periode van de grootst mogelijke vrijheid beleeft. Hij is al wachtend van alle verplichtingen bevrijd, natuurlijk binnen de beperkingen van zijn ruimte, maar dat in aanmerking genomen kan hij doen wat hij wil. Hoeft niet naar zijn werk, niet naar zijn familie. Terwijl hij daar ligt, zit of staat is hij een vrij mens en hij kan zijn gedachten de vrije loop laten.

Je kunt zo’n tijdsbestek van vrijheid ook organisatorisch vastleggen. Dat heet vakantie en al lang geleden zijn we erin geslaagd, de vrijheid die we dan hebben, vol te proppen met amusement, fun, sport, alles wat leuk wordt genoemd. Vakantie is bevrijd zijn van het dagelijks werk. In plaats daarvan gaan we ons van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat vermaken. Het leuk hebben. Het deelnemen aan leuk hoort tot de meest dwingende verplichtingen van deze tijd.

Als ik naar buiten kijk zie ik een enkele keer iemand voorbij slenteren, een jongetje van een jaar of tien, een man van in de tachtig. Ze hebben geen haast, geen doel, ze zijn in hun gedachten verdiept en niemand weet waar ze naartoe gaan en wat ze denken. Beseffen ze dat ze daarmee een toestand van maximale vrijheid hebben bereikt? Het zal hun een zorg zijn. Al slenterend zijn ze diep tevreden. Ze wachten op niemand en niemand wacht op deze twee. Ze zijn volkomen vrij, zolang het slentertraject duurt.

    • S. Montag