Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Terug naar het ouderlijk huis

In mijn slaap was ik de laatste tijd op daken van hoge gebouwen te vinden. Ondanks de hoogtevrees kropen de baby en ik, zij als een trouwe hond achter me aan, over planken die flats met elkaar verbonden. Het medicijn dat de werking van nicotine in mijn hersens blokkeerde, bezorgde me ’s nachts LSD-achtige dromen.

Als ik al sliep, want het huilen was in het echt ook overgegaan in krijsen. Ze liep daarbij rood aan, blies haar gezichtje op als een kikker en was – wat we ook probeerden – ontroostbaar.

Het was me weleens slechter uitgekomen om een nachtje te mantelzorgen.

Ik verliet de vriendin en het huilende kind om in het ouderlijk huis de goedmens uit te hangen. De voet van mijn moeder werd steeds zwarter en tot overmaat van ramp was haar telefoon ten onrechte afgesloten. Fout van KPN of Telfort, die hadden er volgens mijn broer onderling ook ruzie over. Paniek.

Kon ze het huis nog wel uit?

Wat als er juist dan een monteur kwam?

En hoe moest dat als het ziekenhuis probeerde te bellen om de operatiedatum door te geven?

Echt uitgeslapen was ik niet toen ik arriveerde. Hallucineerde ik ook al overdag, of hingen de blauwe druiven echt met hele trossen te rotten onder het afdak? Hoe kort was het nog maar geleden dat zoiets ondenkbaar was? Ik zag mijn vader nog staan op de keukentrap, tuinhandschoenen aan, zorgvuldig snoeiend met de allesknipper.

Drie of vier sloten, tergend langzaam geopend.

Binnen buitelden de nieuwtjes over me heen. De man van mijn zus was van zijn scooter gevallen, de telefoon deed nog steeds niets en de grote lamp boven de keukentafel was ook al stuk.

Er was geen eten in huis, hield ik van knakworst?

Niemand mocht aan die kapotte lamp zitten, en kon de oplader van mijn mobiele telefoon alsjeblieft uit het stopcontact? - „Omdat er al zoveel stuk is.”

Het lukte, ondanks de goede voornemens, weer niet om geduldig en aardig te blijven.

Wil je een appel? Wil je een banaan? Wil je yoghurt? Wil je chocola?

De hele tijd die koektrommel onder mijn neus.

„Blijf nou eens zitten”, zei ik.

Wil je een stroopwafel?

‘Nee, ik wil verdomme mijn moeder terug’, dacht ik. ‘Die vrouw van de gekookte aardappels, bloemkool en slavink met appelmoes.’

Zij wees welke aderen er binnenkort operatief verplaatst moesten worden, ik las De Gelderlander. Ze zei dat ze haar testament had aangepast, ik antwoordde dat ik op zolder op de computer ging werken.

De volgende dag bakte ze een ei en dronken we zwijgend koffie.

Ik geloof dat iedereen het erg prettig vond dat ik daarna weer naar huis ging.

    • Marcel van Roosmalen