In de schaduw van de mythe

De DS5 is volgens Bas van Putten niet gezegend met het constructieve intellect dat ooit zo Frans was.

Foto Peter de Krom

Toen de halve creatieve sector Citroën DS reed werd hij sleets, maar nu hij zeldzaam wordt, blijft hij weer op je netvlies kleven. Dit weekeinde zag ik in Amsterdam een schitterende DS Pallas staan en dacht: mijn god, wat ben je toch een machtig strijkijzer. Hoe is het mogelijk dat een auto je zestig jaar na zijn onthulling in Parijs nog steeds zo van de wijs kan brengen, je blijft verbluffen als het avantgarde-monument dat zelfs de denker Roland Barthes in hoger sferen bracht?

Omdat in 1955 behalve het science fiction-achtige ontwerp ook technisch alles nieuw was aan de auto. De radicaliteit kwam bij de DS van binnenuit. Citroën pakte in één teug alle grote thema’s aan: comfort, verbruik, design, techniek en veiligheid. De stroomlijn drukte het verbruik en verhoogde de prestaties, de hydropneumatische vering garandeerde een uniek comfort. Hij was de eerste in serie geproduceerde auto met schijfremmen en radiaalbanden. Met zijn halfautomaat schakelde je zelf, maar zonder koppelingspedaal. Lichtgewicht materialen als aluminium (motorkap) en polyester (dak) reduceerden het gewicht en daarmee nogmaals de brandstofconsumptie. Door de lange wielbasis ontstond een vorstelijke binnenruimte. Noem mij een tweede auto die zo’n alomvattende synthese van briljante vondsten was. De unieke esthetiek was bijna bijvangst; de vorm volgde de functie.

Wanhopige poging

Citroën herhaalde het huzarenstuk nooit weer. Je mag zeggen dat de DS, die tot 1975 in productie bleef, Citroën als een molensteen om de nek bleef hangen. Je zou de post-DS-geschiedenis van het merk kunnen zien als één wanhopige poging die voorhoedepositie te heroveren, het wiel van de vooruitgang opnieuw uit te vinden. Maar andere partijen innoveerden sterker, de progressie schreed voort, de innovatieruimte voor minder kapitaalkrachtige fabrikanten als Citroën werd kleiner.

De hightech die bij de DS nog harde content was, werd bij latere Citroëns steeds meer alleen maar buitenkant. Grotere Citroëns als de CX en de XM zetten de traditie van bijzonder vormgegeven sleeën voort, maar ze verloren hun technische voorsprong en de laatste, de C5, zelfs het hydropneumatische veersysteem. De laatste Citroën-topklasser, de C6, was een prachtige façade met binnenin de knoppen van een ordinaire lease-Peugeot.

Het enige wat Citroën nu nog kan bieden is zijn aura van comfort, stijl, luxe, Franse charme. Voor die kernwaarden, of zo men wil laatste identiteitsresten, heeft Citroën daarom een apart submerk gecreëerd dat, hoe pijnlijk mooi, de naam DS voert. Gevolg is dat de bestaande DS3, DS4 en DS5 nu geen Citroëns meer mogen heten. Maar de verwijzing naar de Citroën der Citroëns spreekt boekdelen; men wil de mythe terug.

Ik rijd de nieuwe DS5, gefacelift en herlabeld. De marketing legt uit hoe ik hem moet ervaren. „Als vlaggenschip van DS weerspiegelt de nieuwe DS5 alle waarden van het merk: avant-gardistisch design, vooruitstrevende technologie, raffinement en oog voor detail, dynamiek en comfort.” Dat designpunt gun je ze. Zo’n grote vijfdeurs met zijn knoppenrijke, excentrieke vliegtuigcockpit blijft een ongewoon geval. De vooruitstrevende technologie – head up-display, actieve veiligheidssystemen, led-lichttechnologie – heeft daarentegen elke kleine middenklasser. Geraffineerd is hij in vergelijking met zo’n gaapverwekkende Passat natuurlijk wel. Maar comfortabel? Als de DS5 iets niet was, was het dat. Toen hij in 2011 als Citroën op de markt kwam, verraste hij onaangenaam met een on-Frans gebrek aan veercomfort.

Die fout is rechtgezet. De huidige DS5, hoewel nog steeds geen boterzachte limousine, is stukken lichaamsvriendelijker afgeveerd. Maar nog immer weet ik me geen raad met hem. De tweeliter diesel die ik rijd is een aangenaam, goed gebouwd, niet te luidruchtig, esthetisch aantrekkelijk maar totaal onpraktisch vervoermiddel. Hij is te zwaar, onoverzichtelijk, onhandig breed. Zijn forse maten staan niet in verhouding tot de binnenruimte, die vooral achterin nogal beperkt is. Volwassenen worstelen met de geringe hoofdruimte, die de schuld is van de lage daklijn en het glazen panoramadak dat het plafond nog een paar centimeter naar beneden drukt. Aan dat dak heb je trouwens niks, het kan niet open.

Hete versnellingspook

Als een DS5 in de zon heeft gestaan, is de met aluminium afgewerkte versnellingspook zo heet dat je hem nauwelijks aan kunt raken. De airco staat verbruiksbesparend standaard in een ecostand die bij warm weer nauwelijks koelt. Om hem op gang te helpen moet je heel omslachtig de knop ‘A/C Max’ indrukken. Dan vriest hij als een dolle, maar het hart blijft lauw. Doe eens flink, firma DS. Laat hem zacht deinen als een waterbed. Zegen hem met het constructieve intellect dat ooit zo Frans was. Dan komt de stijl vanzelf.

    • Bas van Putten