Het nuttige en het aangename

Hendrik Jan van Beuningen (1920-2015) was zakenman, jager en verzamelaar van oudheden. Zijn Utrechtse landgoed is een toonbeeld van modern natuurbeheer.

Hendrik Jan van Beuningen, links kort na de oorlog in Rotterdam met vondsten, rechts in 2013 in Schotland, waar hij ook jaagde.

Een buizerd komt aanzeilen door de boomgaard en verdwijnt dan over een wei achter een rij hoge eiken. Even nog hoor je hem miauwen, dan is het – afgezien van een zaag die in de verte stottert – stil.

Dit is Rhodesteyn-Hindersteyn bij Langbroek, een van een reeks particuliere landgoederen in het drassige gebied onder de Utrechtse heuvelrug. Als je Hendrik Jan van Beuningen, die eerder deze maand op 95-jarige leeftijd overleed, had kunnen vragen waarop hij het meest trots was, zou hij vermoedelijk deze honderd hectare noemen. Een stukje zeer Nederlands landschap dat de meeste mensen ‘natuur’ noemen, maar dat in de afgelopen eeuwen geheel door mensenhand is gevormd. Om het oog van de eigenaar te strelen, maar vooral om eruit te oogsten: appels en peren, eikenbast voor de leerindustrie, zaaghout voor de bouw en wilgentenen voor manden en dijkversterking. En reeën, eenden en fazanten met het geweer. Hoewel sommigen van zijn adellijke buren hem eerst nog met argusogen als een nouveau bekeken, voegde hij zich als jager naadloos in hun oude traditie.

Toen Van Beuningen het landgoed kocht, Rhodesteyn in 1962 en het naastgelegen Hindersteyn tien jaar later, was het allang niet rendabel meer. De kaalslag voor schaalvergroting van boerenland en de verwaarlozing van ooit-nuttig hout, zette overal door. Van Beuningen keerde die ontwikkeling om. Hij snoeide en kapte waar nodig en herplantte duizenden bomen, voor het mooi, en om het hout opnieuw te kunnen exploiteren, al duurt het nog decennia voor sommige percelen rijp zijn.

Hij baande zich creatief en diplomatiek een weg door de jungle van subsidies en soms tegenstribbelende lokale belangen. Maar tastte vooral in eigen buidel. Zo herschiep hij dat oude coulissenlandschap.

Dat was wel „zijn tweede leven”, zegt zijn oudste dochter, Christine Vaandrager-van Beuningen. Het eerste sloot hij af rond 1970, toen hij financieel onafhankelijk genoeg was om met pensioen te gaan en zich aan natuurbeheer te wijden.

Hendrik Jan Engelbert van Beuningen werd geboren in 1920 in Maarsbergen. Zijn vader, Coen, was een van vele kinderen van Hendrik Adriaan van Beuningen, mede-oprichter van SHV, en een broer van Daniël George van Beuningen, havenbaron, kunstverzamelaar en naamgever van museum Boymans-Van Beuningen. Voor ‘HJE’ bleek geen carrière weggelegd bij SHV, maar na de handelsschool in Zwitserland ging hij wel rond de Rotterdamse haven werken, die in de Wederopbouw een revolutie doormaakte van stukgoed naar bulk.

Zie Pakhuismeesteren, voormalige theehandelaars die zich toelegden op distributie en opslag van olie en chemicaliën. In 1948 werd hij firmant en hij begeleidde in 1967 de fusie met branchegenoot Blaauwhoed tot Pakhoed (intussen Vopak).

Verzamelen zat ook hem in het bloed. Zijn prehistorische pijlpunten raakte hij in 1940 kwijt, maar in de bouwputten van het gebombardeerde Rotterdam begon zijn nieuwe hobby: het verzamelen van middeleeuwse gebruiksvoorwerpen.

De collectie die hij aanlegde is een van de grootste ter wereld en wordt permanent in Boymans tentoongesteld. Rotterdam kreeg dankzij hem als eerste een stadsarcheoloog.

Zelf bleef hij de gentleman-amateur, die graag in de modder stond voor zijn „potten en pannen”. En voor de middeleeuwse pelgrimsinsignes van heiligen en van scabreuze voorstellingen, die hij later begon, met dank aan de metaaldetector.

Zijn dochter herinnert zich de tochtjes met kinderen en kleinkinderen naar het verdronken Land van Reymerswael in de Oosterschelde, waar je bij eb nog fundamenten en waterputten vond, waarin vaak de mooiste vondsten lagen. Daar picknickten ze en als het water opkwam moesten ze zich terughaasten. „Ik realiseerde me later dat ik hem als kind niet veel heb gezien”, zegt ze. „Hij was aan het werk of op jacht.” Na zijn pensioen werd hij „meer vader”, die „altijd in anderen was geïnteresseerd”.

In 1980 overleed zijn eerste echtgenote, Miem de Vriese. Daarna hertrouwde hij met historica Adelheid Ferrier.

In Van Beuningens ‘tweede leven’ was luieren nog steeds taboe. Hij zat in talloze besturen, onder meer als voorzitter van de Jagersvereniging. In 1980 richtte hij de Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied (SBNL) op, die verschillende belangen wil verzoenen. Hij vond dat jagers kunnen oogsten mits ze aan biotoopverbetering doen. Het was de basis voor de ‘faunabeheereenheden’ waarin overheid en andere partijen overleggen. Het was precies wat hij zelf in praktijk bracht. „Hij zag het als eerste”, zegt Frederik graaf van Lynden van Sandenburg, die een naburig landgoed beheert. „Daarna gingen anderen om.”

In die tijd ook maakte hij van een drassig weiland een echt moeras. De zeldzame natte flora „explodeerde”, maar zijn hoop dat de ijsvogel er kwam wonen, in een speciaal aangelegde oeverwal, was ijdel. Maar vorig jaar was-ie er eindelijk. Van Beuningen, scherp tot de dag voor zijn dood, woonde toen niet meer op zijn landgoed.

    • Hans Steketee