Gevederde vreemdeling verwart rijp en groen

De halsbandparkiet (Psittacula krameri) is inheems in tropisch Afrika en Azië Foto Thinkstock

Het AW-lab kijkt uit op binnentuintjes die vol staan met inheemse bomen en struiken. Esdoorns, vlier, lijsterbes, klimop, een kastanje en in de diepte zelfs een braam. Het is genoeg om hier met regelmaat een volwaardige natuurbeschouwing te presenteren.

Vandaag gaat het over de relatie tussen vogels en bessen. Aanleiding is de waarneming dat de vrijvliegende tropische halsbandparkieten die het in Amsterdam zo naar hun zin hebben begin juli alvast aan de lijsterbessen begonnen terwijl die toen nog klein, hard en groen waren en nog weken hadden moeten rijpen voor ze eetbaar waren geweest. De parkieten wisten dat niet of wilden er niet op wachten.

Dat was voor de vakantie. Na de vakantie, begin augustus, waren de lijsterbessen rijp maar op. Pijnlijker was dat de vlierbessen, klein, hard en groen zoals ze nog waren, op hun beurt alvast werden opgegeten door kleine groepjes houtduiven. Inheemse vogels die te vroeg aan inheemse bessen beginnen! De parkieten hadden tenminste nog een excuus. Bedenk ook: onrijpe vlierbessen gelden als giftig.

Hoe goed heeft moeder natuur dat geregeld, dat wil je dan weten. Hééft ze het wel geregeld? Is het bijvoorbeeld niet vreemd dat er bessen bestaan die ook in rijpe toestand ‘giftig’ zijn, zoals gezegd wordt van de bessen van de taxus, de wilde liguster en de kardinaalsmuts? Het wordt toch algemeen aangenomen dat bomen en struiken die bessen dragen dat doen om het zaad erbinnen door vogels te laten verspreiden. De vogels verteren het vruchtvlees, maar niet het pitje daarbinnen, dat is de idee. Dankzij de co-evolutie waarin besdragende bomen en vogels samen optrokken passen de bessen precies door de vogelkelen waarvoor ze bedoeld zijn, heeft de vogels een snavel waarmee hij de bessen zonder handen los kan krijgen, enzovoort. De boom laat met een heldere kleur – rood, oranje, blauw, paars – zien wanneer het zaad klaar is voor verzending, en dan opeens zitten er bessen tussen die giftig zijn.

Nu, dit is de minste moeilijkheid van vandaag. Bessen die voor mensen giftig of gevaarlijk zijn dat vaak niet voor vogels. De net genoemde co-evolutie heeft vogels voorzien van een heel arsenaal biochemische hulpmiddelen die voorkomen dat ze de dupe worden van de ‘secundaire metabolieten’ waarmee planten andere dieren op afstand houden. Giftig – niet giftig.

Let wel: de ingebouwde evolutionaire beveiliging geldt voor rijpe bessen. Onrijpe bessen kunnen in principe ook voor vogels gevaarlijk zijn. De houtduiven namen een vreemd risico waaruit we alleen maar durven afleiden dat de evolutie nog geen volmaakte aanpassing tussen bomen en vogels heeft opgeleverd. Dat is niets nieuws: er zijn ook vogels die bessen eten en toch dat pitje daarbinnen verteren. Zie het overzicht in het klassieke Birds and Berries van Barbara en David Snow.

Van de onrijpe lijsterbessen waaraan de halsbandparkieten zich begin juli vergrepen is geen speciale giftigheid bekend. Toch is de aanval op die onvolgroeide vruchtjes een duidelijke mismatch, en als er niet toevallig die houtduiven waren geweest had je de fout zomaar toegeschreven aan onbekendheid met het nieuwe vaderland. Want, zoals gezegd, de halsbandparkiet is een papegaai uit tropische streken. Hij is een exoot, een ontsnapte volièrevogel. Weet hij veel hoe het hier zit.

Het is een mysterie waarom er onder die exoten niet meer slachtoffers vallen, want de besdragende struiken van West-Europa hebben altijd maar een heel selecte groep afnemers. De lijsterbes krijgt merels en spreeuwen op bezoek, de wilde liguster met zijn ‘dodelijk giftige’ bessen merels en roodborstjes, maar géén spreeuwen. Je zou zweren dat lang niet alle vogelsoorten tegen alle plantengiffen bestand zijn. Ze hebben het gevaar leren vermijden.

Hoe gevaarlijk is dan het leven van de exoot en hoe leert hij zich handhaven in de nieuwe omgeving? Het grondig onderzoek hiernaar moet nog beginnen. Nog steeds blijkt men vooral geïnteresseerd in de vraag hoeveel gevaar de buitenwacht van de exoot heeft te duchten. Als halsbandparkieten alle lijsterbesbessen opeten voor ze rijp zijn, raakt de lijsterbes niet verspreid en gaat de merel misschien noodgedwongen verkeerde bessen eten. O gruwel.

Google Scholar leverde bij vluchtige inspectie maar één stuk op dat de zaak vanuit de exoot bekeek. In PLOS ONE (2011) sommen Daniel Sol en collega’s de vaardigheiden en karaktertrekken op waarover een exoot moet beschikken om zich in zijn nieuwe omgeving staande te houden. De groep onderzocht de eigenschappen van de Aziatische treurspreeuw Acridotheres tristis die het in het nieuwe thuisland Australië uitstekend doet. Hoe zit het met de ‘neophobia’, de angst voor het nieuwe, hoe met de bereidheid nieuw voedsel te proberen en hoe met de technische vindingrijkheid. Aandoenlijk onderzoek is het. Soms hing er naast het voederbakje van de proefspreeuwen opeens een rare groene haarborstel, soms was de rijst in het bakje niet wit maar blauw, soms was er veel behendigheid voor nodig om erbij te komen. Al met al kwamen de treurspreeuwen aardig voor de dag. Het opvallendst was dat de spreeuwen uit een stedelijke omgeving steeds beter scoorden dan die van het platteland, waarschijnlijk omdat de stadse populaties ouder zijn. Exoten vestigen zich vaak eerst in de relatief veilige steden met hun gevarieerde voedselaanbod. Vandaar trekken ze verder. Wie het zo aanziet denkt: de halsbandparkiet komt er wel.