Echt niet zomaar een auto

Volkswagen is al lang niet meer de brave degelijke auto voor de oersolide Hollandse burger. De afgelopen decennia werden de auto’s steeds luxer en deftiger. Maar dus niet ecologischer.

Tekst Bas van Putten Foto’s David van Dam en Pieterjan Luyten

Arjan van der Vegt

In de decennia na de Kever heeft zich bij Volkswagen een paradigmawisseling voltrokken. Een merk voor oppassende burgers veranderde in een premium brand voor succesvolle mensen die het liever niet onder stoelen of banken steken. De Golf veryupte tot statussymbool voor young executives, de nieuwe Passat gaat op de Audi-toer; luxueus, hoogwaardig afgewerkt, de fijnste materialen, hippe multimedia. Lifestyle voor en na.

Wat was dat vroeger anders. Het nuchtere VW van ooit trok in mijn jeugd een oersolide Hollands mensentype aan. In 1975 kocht mijn onderwijzeres juf Kool, een ouderwetse topjuf, de donkergroene Golf die ik op het schoolplein ademloos bewonderde; hoekig, functioneel, geen fratsen. Onlangs reed ik het model dat zij kocht, naar goed vaderlands gebruik de goedkoopste die ze hadden. Wat een ondraaglijk spartaans en zwaar sturend vervoermiddel was dat. Boven de tachtig werd het lawaai van de 50 pk sterke viercilinder oorverdovend. Toch snapte ik met terugwerkende kracht waarom haar generatie zulk leed slikte: wat stond hij er na veertig jaar nog mooi bij, niet kapot te krijgen. Zo werd de Golf dan ook hardnekkig aangeprezen, met de slogan die voor dieselrijders nu zo’n omineuze bijklank heeft gekregen: ‘da weiss man, was man hat’. Verbazingwekkend lang bleef hij nog wat zijn voorganger, de Kever, was geweest; een simpel, onverwoestbaar vervoermiddel.

Toch zag je bij VW al vroeg signalen van een omslag. Medio jaren zeventig begaf VW zich voor het eerst op het frivole pad. Dat ging nog in de stijl van het huis, nuchter en niet te dol. Aan het bedeesde voorkomen van de Golf GTI, de eerste hot hatch, zag je niet af dat hij voor die tijd krankzinnig snel was. De VW Scirocco deelde zijn techniek – huis, tuin en keuken – met de Golf, de prijs was redelijk; coupé voor het volk.

Toen Europa in de laatste decennia van de afgelopen eeuw fortuin maakte, raakte het transformatieproces van het merk in een stroomversnelling. Elektrische ramen en airconditioning werden gemeengoed. Ook je VW kon je voortaan met leren bekleding en elektrisch schuifdak bestellen. Volkswagen ging up-market, want daar zat het geld. In de jaren negentig kwamen, hoe BMW-achtig, de eerste Golfs en Passats met zescilinders op de markt, en de pretenties groeiden. En in 2002 lanceerde VW een topklasser, de Phaeton, die de BMW 7-serie en de Mercedes S-klasse moest overtreffen. Bij de presentatie zette VW-baas Ferdinand Piëch een muntstuk op het motorblok om de trillingvrije loop te demonstreren; de mythe wil dat het bleef staan.

Deftig

Die Phaeton was symptomatisch. VW moest een premium-merk worden met het aureool van gevestigde Duitse topmerken. Degelijkheid was niet genoeg meer. Wat het concern niet zelf aan bling in huis had kocht het in. Bugatti, Bentley, Lamborghini – het ene topmerk na het andere werd ingelijfd. De hang naar deftig sloeg de laatste tien jaar stevig over naar de burgermerken uit de stal. Mijn twintig jaar oude Passat VR6, de duurste die je toen kon kopen, komt qua voorzieningenniveau niet in de buurt van de eenvoudigste Passat van tegenwoordig.

Je zou kunnen zeggen dat de eerzucht zich bij VW van de binnen- naar de buitenkant heeft verplaatst, van betrouwbare techniek naar uitstralende werking. De nieuwste Superb van Skoda, niet eens zo lang geleden het beoogde budgetmerk van het concern, doet in praalzucht nauwelijks voor de jongste Volkswagens onder. Technisch gesproken is het trouwens een Passat. Het is sowieso een merkwaardig aspect van de bedrijfsvoering dat Volkswagen de neiging heeft dezelfde techniek in diverse verpakkingen aan te bieden en het pakpapier dan als ‘merk’ te verkopen. VW is een soort Bijenkorf geworden die zich in de eerste plaats bekommert om de breedte en de glamour van het aanbod: voor elk wat wils, van Polo tot Veyron.

De innovatie heeft daar enigszins onder geleden. Als de emissiefraude in de Verenigde Staten iets heeft laten zien, dan is het dat het VW-concern zijn ecologische pretenties niet kan waarmaken. Dat geldt niet alleen voor de diesels. De hybride Golfs die hier wegens de lage bijtelling dit jaar massaal zijn aangeschaft, voldoen alleen dankzij de krankzinnig onrealistische Europese testcycli aan verbruiks- en emissienormen die ze in de praktijk niet bij benadering halen.

Maar de jongens achter het stuur hebben wel led-dagrijverlichting, een knoert van een navigatiesysteem en 204 pk. En daar gaat het om, zo zit de VW-man van vandaag nu eenmaal in elkaar. Juf Kool is heel ver weg.