Aandenkens aan Einstein en de bollebozen in zijn Leidse vriendenkring

‘Dat verrukkelijke plekje grond op deze dorre aarde.’ Zo noemde Albert Einstein Leiden. In 1902 had Einstein nog gesolliciteerd naar een baan in deze stad. 22 jaar oud was hij toen, pas afgestudeerd aan de befaamde ETH in Zürich, en met nog lang niet de wetenschappelijke status die hem beroemder zou maken dan die hele ETH zelf.

Het sollicitatiebriefje ligt in een vitrine in Museum Boerhaave. De directeur van dat museum, Dirk van Delft, richtte er als ‘gastconservator’ de kleine tentoonstelling Einstein&Friends in.

De retourenvelop die Einstein had bijgesloten, ligt er ook. Kennelijk had niemand tijd voor een antwoord op het lab van Heike Kamerlingh Onnes – want daar solliciteerde Einstein.

Dat de theoretisch ingestelde, maar wel al een tijd werkloze Einstein een gokje waagde bij de experimentatoren in Leiden is niet zo gek. Wel een klein wonder was hoe rond de eeuwwisseling de natuurkunde in die stad was opgebloeid, net als in Amsterdam trouwens.

Waren Nederlandse natuurkundehoogleraren tot halverwege de negentiende eeuw allereerst professor (gezicht in de plooi, strak in het kostuum en lid van veel eervolle commissies), in de periode daarna maakten bevlogen mannen naam in het vak.

Einstein&Friends laat de banden zien die Einstein met zulke gedreven wetenschappers onderhield. Met de grote Hendrik Lorentz (Nobelprijs 1902), die voor Einstein een vaderfiguur was. Met Pieter Zeeman (Nobelprijs 1902), die in het lab van Kamerlingh Onnes het Zeeman-effect vond en daarmee Lorentz’ inzichten in elektronen onderbouwde. Met Heike Kamerlingh Onnes zelf (Nobelprijs 1913), die van zijn Leidse lab het koudste plekje op aarde maakte. Met astronoom Willem de Sitter, die Einstein’s vergelijkingen bestudeerde en daarbij ‘het heelal uitvond en weer vergat.’ Met Lorentz’ schoonzoon Wander de Haas, die met Einstein zijn plezier in experimenteren deelde. En natuurlijk komt Einstein’s boezemvriend Paul Ehrenfest aan bod, die in 1912 de Leidse leerstoel van Lorentz overnam.

Lorentz had trouwens het liefst Einstein als opvolger gehad, maar die koos in 1912 voor Zürich. Wel bleef Einstein een zwak plekje houden voor Leiden. Nadat hij er in 1920 bijzonder hoogleraar was geworden, vertoefde hij er bijna jaarlijks een maand.

In Nederland kon Einstein tot rust komen. De zonsverduistering van 1919 (die zijn algemene relativiteitstheorie uit 1915 had helpen bevestigen) had van hem een superster gemaakt. Maar in het turbulente Duitsland – Einstein was inmiddels directeur van het Kaiser-Wilhelm Instituut in Berlijn – werd hij óók een mikpunt van antisemitisme.

De kleine tentoonstelling toont de warme banden tussen Einstein en zijn Leidse collega’s aan de hand van enkele voorwerpen en vooral veel ‘plat’ materiaal – foto’s, brieven, schilderijen dus.

Natuurlijk ligt er de Watermanvulpen die Einstein jarenlang gebruikte voordat hij hem in 1921 aan zijn vriend Ehrenfest cadeau gaf. Verrassend is het ‘maschienchen’, een slecht werkende elektrometer die Einstein met vrienden bouwde en aan Zeeman verkocht. En uiteraard hangt er veel werk – schetsen, schilderijen, glas-in-loodramen – van Harm Kamerlingh Onnes, de neef van, inderdaad.

Er is voor gekozen om al dat zorgvuldig geselecteerde materiaal alleen te omschrijven in het bij de tentoonstelling horende (gratis) boekje. Soms is de informatie op de bordjes bij de stukken daardoor te karig. Wie schilderde dat portret? Het is fijn als zoiets er ook naast staat.

Maar voor de liefhebber met het boekje in de hand vormt deze tentoonstelling een heel klein, maar fijn plekje op aarde.

    • Margriet van der Heijden