‘Wij zijn allen nazi’s’

Zonder de uitroeiing van de joden was het nazisme een relatief gewone stroming in de westerse beschaving, betoogt de Franse rechtsfilosoof Jean-Louis Vullierme. Hij vergist zich: kunst en cultuur maakten het Derde Rijk uniek.

Illustratie Dace Sietina

Na de Tweede Wereldoorlog stond de Duitse expressionistische schilder Emil Nolde (1867-1956) bekend als een ‘antifascistische’ verzetsstrijder. Niet alleen had Nolde in het Derde Rijk een beroepsverbod gekregen, maar ook hadden de nazi’s van hem, meer dan van welke dode of levende kunstenaar ook, werken in beslag genomen. Niet minder dan 1052 ‘ontaarde’ Noldes hadden ze geconfisqueerd, om die vervolgens te vernietigen, op te slaan of te verkopen aan buitenlandse kunsthandelaren.

Toen Nolde elf jaar jaar na zijn dood in 1967 in het Moderna Museet in Stockholm zijn eerste grote overzichtstentoonstelling in Zweden kreeg, gold hij nog steeds als de ‘ontaardste’ kunstenaar van nazi-Duitsland. Maar later bleek dat Nolde zelf een overtuigd nazi was geweest, schrijft de Zweedse journalist Anders Rydell in De plunderaars. De nazi-obsessie met kunst. Niet alleen was hij al in het oprichtingsjaar 1920 lid geworden van Hitlers NSDAP, maar ook was hij ervan overtuigd dat hij onvervalst ‘Nordische’ kunst maakte. Van de ‘verweekte’ Franse schilderkunst had hij al sinds het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog niets moeten hebben. Nolde was ook een felle antisemiet die, zoals hij zelf in 1938 schreef, ‘altijd tegen de onzuivere kunsthandel en de overgrote joodse overheersing in de kunstwereld had gestreden.’

Tegelijkertijd werd ook duidelijk dat lang niet alle nazi’s Noldes werk als ontaard beschouwden. In de eerste paar jaar na Hitlers machtsovername in 1933 vonden vooral de jonge nazi’s van de zogenaamde ‘Berlijnse oppositie’ dat het expressionisme de officiële kunst van het Derde Rijk moest worden, schrijft Rydell. Zij hadden een medestander in Joseph Goebbels, de minister van propaganda, die in de woonkamer van zijn Berlijnse huis aquarellen van Nolde had hangen. ‘Schitterend’ noemde Hitlers hofarchitect Albert Speer die in zijn memoires. Pas toen Hitler Goebbels had laten weten dat Noldes werk cultuurbolsjewistische rotzooi was, verwijderde hij ze en begon hij een campagne tegen modernistische kunst die in 1937 uitmondde in de beruchte tentoonstelling Entartete Kunst.

Moderne elementen

De ontmaskering van Nolde typeert het veranderde beeld van het Derde Rijk. De eerste decennia na WO II gold nazi-Duitsland als een barbaarse reactie op alles wat modern was. Maar in de afgelopen twintig jaar hebben veel studies laten zien dat het nationaal-socialisme niet louter reactionair was maar ook tal van moderne elementen omvatte. Zo stelde Hitler de beeldende kunstenaars van het Derde Rijk niet alleen het zoetige realisme van de 19de-eeuwse Duitse schilder Carl Spitzweg ten voorbeeld, maar was hij ook een groot liefhebber van auto’s en andere wonderen van de moderne techniek.

Volgens de Franse rechtsfilosoof Jean-Louis Vullierme was het nationaal-socialisme zelfs eerder een samenvatting van dan een reactie op de moderne westerse cultuur van het begin van de 20ste eeuw. ‘In wezen was Hitler modernistisch’, schrijft hij in de inleiding tot De spiegel van het westen. Het nazisme en de westerse beschaving .

Hitler en andere nazi-ideologen als Alfred Rosenberg waren geen originele denkers. Bijna al hun ideeën en opvattingen waren in het Westen gemeengoed in de eerste decennia van de 20ste eeuw, zet Vullierme met veel omhaal van grote woorden uiteen in het eerste deel van zijn studie over de nationaal-socialistische ideeën. Het enige nieuwe element van het nationaal-socialisme was de fabriekmatige vernietiging van de joden.

Het is Vulliermes grote verdienste dat hij het gedachtegoed van Hitler, Himmler en andere nazi-kopstukken serieus neemt en uitvoerig analyseert. Veelvuldig citeert hij uit Hitlers Mein Kampf (1925), een boek dat in Nederland nog altijd officieel verboden is, en uit talrijke redevoeringen om te laten zien waar de nationaal-socialisten hun ideeën vandaan hadden. Opvallend vaak kwamen die uit Amerika. Zo had Hitler veel van zijn antisemitische opvattingen ontleend aan de publicaties van de Amerikaanse autofabrikant Henry Ford. Al in 1920 had Ford in The International Jew uiteengezet dat de joden uit waren op de wereldmacht. Niet één woord over de joden in Mein Kampf is in tegenspraak met de beweringen van Hitlers grote held Ford, de enige van wie hij in zijn werkkamer een portret had hangen, constateert Vullierme.

Hitlers opvatting dat Duitsland Lebensraum nodig had in Oost-Europa waar de Slavische bevolking plaats moest maken voor Duitse kolonisten, had volgens Vullierme ook een voorganger in Amerika. Daar had de kolonisering van het westen, waar blanke immigranten de plaats innamen van de indianen die werden vermoord of in reservaten ondergebracht, het model geleverd voor de uitbreiding van de Derde Rijk in oostelijke richting.

Zo bestond elk element van het nationaal-socialisme, van sociaal-darwinisme tot populisme en van messianisme tot racisme, al in de westerse cultuur en was vaak zelfs ‘overheersend’. ‘Zonder de uitroeiingen was het nazisme een relatief gewone stroming in de westerse beschaving geweest’, concludeert Vullierme dan ook in Deel 1.

In het veel kortere tweede deel draaft Vullierme door. In een warrig betoog laat hij lezen dat veel van de elementen van het nazisme nog altijd bestaan, niet alleen in het Westen maar wereldwijd. Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar de conclusie van ‘Ontsnappen aan de ideologie van de uitroeiing', zoals hij deel 2 van De Spiegel van het westen heeft genoemd, is onvermijdelijk: ‘we’ – Vullierme gebruikt voortdurend de eerste persoon meervoud – zijn eigenlijk nog altijd nazi’s. Vooral in het ‘antagonisme’, zoals hij de bestrijding van een al dan niet denkbeeldige vijand noemt, ziet hij een continuering van het nazisme. Dit is in de huidige wereld zelfs ‘gepolariseerd’, stelt hij vast, waarna hij laat zien dat vrijwel alle elementen van het nazisme ruimschoots aanwezig zijn in het huidige Israël.

Vullierme, die overigens zelf van joodse afkomst is, is niet het soort analyticus dat het laat bij een vaststelling. Hij levert ook een ‘handvest’ voor de bestrijding van het antagonisme. ‘Je zult geen mensbeeld scheppen naar je eigen beeld’, is het eerste, raadselachtige gebod van zijn handvest dat zich verder laat samenvatten tot: ‘Verbeter de wereld en begin bij jezelf’.

Cultuur als hart

In zijn analyse van het nationaal-socialisme laat Vullierme één aspect van het nationaal-socialisme buiten beschouwing, dat het juist wél bijzonder maakte: de buitengewone belangstelling van de nazi-leiders voor kunst en cultuur. Niet alleen Hitler, maar ook de opperbevelhebber van de Luftwaffe Hermann Göring, SS-leider Heinrich Himmler en Joseph Goebbels waren verwoede kunstverzamelaars. In minder dan tien jaar tijd roofden ze in half Europa 100.000 tot 200.000 kunstwerken bijeen, schat Rydell in De plunderaars.

De gevolgen zijn nog altijd merkbaar. Nog steeds blijkt van tijd tot tijd een kunstwerk in een museum of particuliere collectie vóór of in de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s geroofd te zijn. Wat er vervolgens gebeurt, gaat vaak volgens hetzelfde patroon. Een familielid van een meestal overleden joodse vroegere bezitter van het kunstwerk maakt er aanspraak op. Vervolgens reageert de huidige eigenaar, vaak een museum, niet of afwijzend. Pas als het tot een rechtszaak komt, krijgt het familielid het kunstwerk terug of wordt de zaak op een andere manier geregeld.

Rydell, wisselt beschrijvingen van de vele roofkunstzaken van de afgelopen kwarteeuw, waaronder de afwikkeling van de claim op de collectie van de Nederlandse kunsthandelaar Jacques Goudstikker, af met verhalen over de kunstroven. De twee grootste nazi-verzamelaars, Hitler en Göring, hadden ieder eigen ‘agenten’ in dienst om in Duitsland en de bezette landen kunst te verzamelen. Soms kochten ze kunstwerken, maar vaak troggelden ze die af van joodse verzamelaars of lieten beslag leggen op achtergelaten verzamelingen.

Rydell gaat ook uitgebreid in op de herkomst van wat hij de ‘nazi-obsessie met kunst noemt.’ Een van de wegbereiders hiervan was Julius Langbehn, auteur van de Duitse bestseller Rembrandt als Erzieher uit 1890. Hierin presenteerde Langbehn Rembrandt als de afstammeling van een raszuiver Zuid-Duits volk die de wereld had beschouwd met een waarlijk Duitse blik. Het zijn Rembrandteske kunstenaars die voorop moeten gaan in de ‘transformatie’ van het Duitse volk, zo vat Rydell Langbehns theorie samen.

Neurenberg

Hitler had het boek van Langbehn gelezen en dat is niet zonder gevolgen gebleven. Hoewel hij twee keer werd afgewezen door de Weense kunstacademie, beschouwde hij zichzelf als de ‘belangrijkste architect en de hoofdsconservator van het Derde Rijk’, schrijft Rydell. Cultuur was de essentie van het Derde Rijk. Rydell haalt historici aan die beweren ‘dat Hitler geen politicus met een obsessie voor kunst was, maar een kunstenaar geobsedeerd door politiek.’

Cultuur was voor Hitler ook hét middel om de nieuwe, Duitse mens te creëren. De massabijeenkomsten die de nazi’s op onder meer het door Speer ontworpen Reichsparteitaggelände in Neurenberg hielden, waren ‘een tot politiek verheven theater dat bij een groot deel van de Duitsers een innerlijke leegte vulde, dat gevoel van verlies dat sinds de Romantiek zo bewust in leven was gehouden.’ De plaats die kunst, architectuur en cultuur kregen in het Derde Rijk is ‘uniek’, vindt Rydell.

Een van Hitlers grootste cultuurprojecten was het Führermuseum in Linz, de stad waar hij was opgegroeid en die hij wilde laten verbouwen tot de kunsthoofdstad van het Derde Rijk. Hier, in het grootste en beste museum ter wereld, zouden alle geroofde kunstwerken bij elkaar worden gebracht die de superioriteit van het Arische ras zouden bewijzen. Hitler zelf had er de schetsen voor gemaakt, die werden uitgewerkt door de architect Hermann Giesler.

Tot op het laatst van zijn leven bleef Hitler bezig met de herbouw van Linz en zijn Führermuseum. Nog op 13 februari 1945, toen het Ardennenoffensief was mislukt en de Duitse verdediging in Polen was ingestort, liet hij een reusachtige maquette van het toekomstige Linz opstellen in de Führerbunker in Berlijn. Zelfs in zijn laatste weken mijmerde hij langdurig bij de maquette.

In zijn korte persoonlijke testament dat Hitler liet opmaken op 29 april 1945, een dag voor zijn zelfmoord, sprak hij de wens uit dat hij na zijn dood zou worden verbrand. Ook liet hij weten dat hij zijn collectie schilderijen nooit voor ‘particuliere doeleinden had verzameld maar enkel voor de inrichting van een kunstgalerij in de stad van mijn jeugd, Linz a/d Donau. Het is mijn innige wens dat dit legaat ten uitvoer wordt gebracht.’