Voedzaam volkorenproza van Ellen Heijmerikx

In haar eerste twee boeken verwerkte Ellen Heijmerikx haar jeugd bij de Noorse Broeders, de religieuze sekte die de Bijbel van ‘kaft tot kaft letterlijk neemt’, zoals de schrijfster onlangs in een interview met deze krant zei. Waren Blinde wereld (2009) en Wij dansen niet (2011) alleen al vanwege dat kijkje in die orthodoxe wereld interessant, ze waren ook nog eens heel goed geschreven. Voor haar eerste roman ontving Heijmerikx de Academica Debutantenprijs; Wij dansen niet was minstens zo goed en stond vol rake zinnen waarmee een personage in een paar streken werd neergezet.

De autobiografische veren lijken afgeschud, want in Heijmerikx’ nieuwe roman wordt een verhaal van een compleet andere orde verteld. Het draait hier om twee van oorsprong Spaanse geliefden, Juanita en Pepe, die op gevorderde leeftijd in Nederland wonen. Heijmerikx pakt de draad op bij het doodsbed van Pepe, als hij tegen zijn vrouw leegloopt over de tijd waarin ze hem nog niet kende. Van haar had het misschien wel niet gehoeven, die terugblik vol confessies. ‘Ik begrijp het niet,’ luidt haar eerste zin, ‘de neiging van mensen om op hun sterfbed geheimen op te biechten.’

De biecht is misschien uit Pepes godsdienstige achtergrond te verklaren, want ook En nooit was iets gelogen is ondanks de andere setting een religieus geïnspireerde roman. Pepe, zo leren we via zijn levensverhaal, groeide arm en vaderloos op en voelde al vroeg een niet te onderdrukken behoefte om copla’s te schrijven: korte, ietwat pathetische gedichten waarin hij zijn leed of het leed van anderen vorm gaf. Hij maakte er zich in het ruwe milieu niet bepaald populair mee; ‘flikkertje’ was nog een van de mildere scheldwoorden die hem toegebeten werd. En vanuit die miskenning kwam Pepe dan weer uit bij de godsdienst. Hij richtte zich tot een ten hemel gevaren apostel, waarmee Heijmerikx laat zien waarom gelovigen de behoefte voelen een tweede wereld boven de onze te verzinnen: de hoop moet ergens gestalte in krijgen.

De roman laat zich lezen als een twintigste-eeuws lijdensverhaal (tegen de achtergrond van een dictatuur), want Pepe draagt zijn kruis nog honderden pagina’s met zich mee. Even lijkt hij een veilig heenkomen te vinden in een klooster, tot de geestelijken zich aan hem gaan vergrijpen. De scène waarin Pepe dit ondergaat, gecorrumpeerd door de retoriek van een van de kloosterlingen, grijpt je onherroepelijk naar de keel.

Heijmerikx schrijft een soort volkoren-proza waar je echt mee aan het werk wordt gezet. Het is voedzaam en stevig – wie de gedachten even laat vieren kan zo een wending mislopen – maar het uiteindelijk loont het. Er wordt vanuit de vaak liederlijke impressies van Pepe geschreven, en dus zegt hij dingen als ‘Het dorp en de kroeg werden een zolder vol hooi’ als hij een meisje uit de kroeg naar een schuur meeneemt voor een vrijpartij. Hij legt haar neer, waarna ze ‘beeft alsof ze uren in koud water heeft gelegen’.

Heijmerikx baseerde deze roman op interviews met Spaanse vrienden, en een punt van kritiek is dat de tekststructuur soms meer wegheeft van een fullquote-interview dan van een roman. Maar daar staat tegenover dat er veel te halen is bij deze schrijfster, die bezielt alsof haar leven ervan hangt.