Sinterklaas leidt een griezelig dubbelleven

We weten het: de schrijver gaat ver in het tergen van de lezer. In een postmodern metaboek vol fictiekunsten, een ‘Sinterklaasroman’, doet hij het weer. Die Sint deugt trouwens van geen kant.

Beeld uit de film ‘Sint’

Wie zoet is krijgt uiteindelijk iets lekkers, maar het duurt tot de laatste tientallen bladzijden tot het zover is. Tot die tijd lijkt de nieuwe roman van A.H.J. Dautzenberg een desillusie: dat zo’n prettig waanzinnig en vermetel plan zó voorspelbaar wordt uitgewerkt. Maar Dautzenberg zou Dautzenberg niet zijn als hij dat gevoel niet zou logenstraffen, maar óók niet als hij de lezer niet tot het uiterste zou sarren. Om die reden moet je Wie zoet is uiteindelijk op z’n minst een tergend onevenwichtige roman noemen.

Het vermetele plan is het volgende: Dautzenberg schreef een ‘Sinterklaasroman’, die nog de meeste trekjes heeft van de horrorfilm Sint (2010) van Dick Maas – wat flauw, maar misschien aardig om lekker bij te griezelen. De goedheiligman wordt hier namelijk voorgesteld als een kwade genius, een figuur die zijn goedertieren voorkomen en onaantastbare macht misbruikt om een laakbaar dubbelleven te verhullen. Eén Sint is ooit op een pakjesavond in de huiskamer verschenen en bezorgde toen een kind een levenslang dooretterend Sinttrauma.

Het eerste deel van de roman bestaat uit interviews met mannen die allemaal eens of vaker de tabberd hebben aangetrokken. Steeds sneller ontsporen die interviews (die techniek is Dautzenberg wel toevertrouwd) met een vraag als: ‘Vinden Sinterklazen het eigenlijk vervelend als kinderen op hun schoot komen zitten, of genieten ze daar stilletjes van?’

De leraar, makelaar, kitschkunstenaar of gepensioneerde ambtenaar in kwestie sputtert dan een beetje, tot hem ook duidelijk wordt met welk doel de interviewer van huis gegaan is. Dat het met één van hen slecht afloopt, is voor de lezer dan al duidelijk: daarover lezen we dialogen tussen een ontvoerde en zijn gijzelnemer, waarbij die laatste overduidelijk ze niet allemaal op een rijtje heeft. ‘Doe de bariton!’ eist hij van de ontvoerde.

We lezen dus de stukjes die een psychopathisch type op zijn weblog postte (‘Reacties (0)’ staat eronder) en we zien het onherroepelijk afstevenen op ellende. Dat duurt lang – te lang. De interviews worden voorspelbaar, de interviewer komt steeds verknipter over. Het valt niet mee om daar interesse voor te blijven voelen.

En je vraagt je af: zou het Dautzenberg, uitgesproken tegenstander van heksenjachten tegen pedo’s, dan alleen te doen zijn om het tonen dat pedojagers vele malen griezeliger kunnen zijn dan de vermeende pedofielen?

Intelligenter dan gedacht

Na de interviews, zes stuks, wordt Wie zoet is een brievenroman. De schrijver ervan, Nol, kennen we nog niet, maar hij moet de zevende en laatste zijn in de reeks interviewslachtoffers: we lezen het logboek van zijn ontvoering. In De Fictiefabriek (2014, samen met Diederik Stapel) bewees Dautzenberg zich als begenadigd briefschrijver, maar deze correspondentie is eenzijdig en gaat vrij gauw vervelen. Bovendien krijgt Nol de blogs te lezen en legt hij zich toe op een tekstanalyse ervan, waarmee we de trauma’s van de ontvoerder nog eens voorgekauwd en opgelepeld krijgen. Met een open deur van een conclusie: ‘Ik ben ontvoerd en gevangengezet door een gestoorde gek!’

Totdat het dagboek abrupt eindigt, en we de climax van de ontvoering lezen in, opnieuw, blogs van de ontvoerder. Hij draait finaal door – en wie de verhalen in En dan komen de foto’s (2014) kent, weet hoe beestachtig Dautzenberg kan schrijven, absurdistisch en goed, en hoe ver hij kan gaan.

Te ver misschien – maar dan vooral in het tergen van de lezer, want zelfs de sterkere stukken neigen nog naar al te voorspelbaar. Verlossing komt er net voor het einde van de roman, in een slothoofdstuk en een ‘Verantwoording’, waarin de schrijver vertelt dat het gaat om een ‘waargebeurd verhaal’, en dat hij putte uit dagboeken van ‘Arnold Veltkamp’. Dat is nog niet de crux of allergrootste verrassing – die komt daarna, maar de inhoud moet hier verder in nevelen blijven.

Op het nippertje blijkt Wie zoet is intelligenter dan gedacht: een postmodern metaboek, waarvoor Dautzenberg al zijn fictiekunsten én zijn reputatie inzette. Eigenlijk kun je het daarmee met een nieuwe blik opnieuw gaan lezen, maar toch: ook dan blijft het een onevenwichtige roman over een matig interessante psychopaat.