Revolutie, sterke man, revolutie, etc.

De moderne Franse geschiedenis is één lange worsteling met de revolutie, vindt Jonathan Fenby. De kracht van de rede wordt bestreden met verlangen naar wat verloren is gegaan. Nu overheerst het laatste.

1955: Franse politieman op de Champs Élysées. Photo by Ernst Haas/ Getty

Loop een Franse boekhandel binnen en je struikelt over de boeken die de nakende ondergang van die eens grootse natie verkondigen; het zogenaamde ‘declinisme’ viert hoogtij. In bestsellers als Le Suicide Français van Éric Zemmour en L’ indentité malheureuse van Alain Finkielkraut wordt op hoge toon de teloorgang van Frankrijk afgekondigd – worden de waarden van de Republiek hopeloos verkaveld door een verdwaasd multicultarisme, de klassieke pijlers van de samenleving ondermijnd door de destructieve geest van ’68, de idealen van de Verlichting verraden door een moslimknuffelende elite, die het land bovendien heeft uitgeleverd aan de leegte van een zielloze massacultuur.

Op links heerst een al bijna even groot pessimisme: het geloof in een radicale transformatie van de samenleving heeft plaatsgemaakt voor weeklachten over de onoverwinnelijke kracht van het neoliberalisme en een egoïstisch materialisme – aan het einde van een lange polemiek tegen linkse intellectuelen die het declinisme wilden ontkrachten, constateerde de socioloog André Taguieff dat ‘de onheilsprofeten, in bepaalde situaties, de ware wijsheid verkondigen.’

Zulke geluiden klinken overal in het Westen, maar in Frankrijk is de toon schriller, de aanzegging dramatischer, de beeldspraak hysterischer. Volgens de Britse journalist en Frankrijk-kenner Jonathan Fenby komt dat doordat Frankrijk zich heeft laten gijzelen door het verleden. In het slothoofdstuk van The History of Modern France stelt hij dat het huidige gevoel van malaise wordt veroorzaakt door de hardnekkige notie dat Frankrijk een voorbeeld voor de wereld is en wegens zijn geschiedenis een unieke missie heeft te vervullen: ‘de Gallische haan die trots naar de wereld kraait terwijl zij de historische verdiensten van de republikeinse civiele religie verkondigen, gebaseerd op instituties die twee eeuwen teruggaan.’

Nu de werkelijkheid ver achter blijft bij die overtuiging, nu het belang van Frankrijk in een geglobaliseerde wereld afneemt, de Franse cultuur niet meer domineert buiten de eigen grenzen, en erfvijand Duitsland op alle fronten de toon aangeeft in Europa, vlucht men in neergangsfantasieën die al evenzeer ronkend retorische eigenwaan verraden. Om de Gaulles ‘une certaine idée de la France’ te behouden, verzet men zich tegen iedere verandering. Zelfs in de ondergang is Frankrijk een uniek tragisch geval. De buitenwereld kijkt met stijgende verbazing toe.

Volgens de op Mauritius geboren en in Oxford docerende Sudhir Hazareesingh, die in How The French Think de Franse hang naar een intellectuele benadering van alles en iedereen in kaart wil brengen, is zo’n stemmingsomslag niets nieuws. Integendeel, hij noemt het ‘een van de opvallende eigenschappen van de Franse manier van denken.’ Hij citeert Jean-François Revel, die na een zorgvuldige analyse van de retoriek van Franse politici constateerde dat ze heen en weer geslingerd werden door ‘de fantasie van de alomtegenwoordigheid en de angst van de claustrofobie.’

Slagveld

Fenby ziet de moderne Franse geschiedenis als een lange worsteling met de gevolgen van de Revolutie. De universalistische idealen waarmee de oude orde omver werd geworpen, stuitten op felle weerstand die zich in de eeuwen daarna niet liet breken: Frankrijk werd het slagveld waarop Verlichting en Contra-Verlichting elkaar troffen, waar een messianistisch geloof in de kracht van de rede als middel om de mensheid te verlossen, werd bestreden met een hunkering naar de geborgenheid van de eigen tradities en cultuur, nostalgie naar wat verloren was gegaan, met het herstel van de monarchie als droombeeld. Steeds opnieuw in de geschiedenis na de Revolutie zorgt die tweespalt voor politieke chaos en bijna-burgeroorlog, waarop men terugvalt op een sterke man met napoleontische allure die het land tijdelijk verenigt – de laatste incarnatie van zo’n leider was Charles de Gaulle. In de kroniek van Fenby wordt de Franse geschiedenis zo bijna cyclisch: revolutie, strijd en chaos, sterke man, revolutie, etc.

In How the French Think benadrukt Hazareesingh dat veel van de tegenstellingen die door de Franse geschiedenis jagen, uiteindelijk veel meer met elkaar gemeen hebben dan de felheid van strijd en debat doet vermoeden. Universalisme en nationalisme lopen op een paradoxale manier in elkaar over. Het Frans verlichte revolutionaire denken is vaak genoeg uiterst nationalistisch, waarbij het Franse volk en de mensheid tot synoniem worden. Zowel links als rechts, zowel de Franse communisten als de Gaullisten in de jaren vijftig zagen een lichtende dageraad voor het Franse volk in het verschiet liggen. Bovendien blijkt het Cartesiaanse rationalisme, de idee dat je de wereld kunt vormen naar abstracte principes, heel goed samen te kunnen gaan met een occulte hang naar spiritualiteit.

Hazareesingh ziet de Franse hang naar rede, logica, helderheid en orde en het messianistische geloof in de verlichte idealen van de Revolutie niet als tegengesteld aan de neiging tot doemdenken, het zwelgen in occultisme en doodsverlangen – voor hem zijn het twee kanten van dezelfde medaille. Dat is een inzicht waar je iets aan hebt, en zijn boek bevat er meer. Maar het geheel is een rommeltje, hoe onderhoudend ook. De opzet van How the French Think is thematisch, Hazareesingh wil inzicht geven in hoe de niet te onderdrukken Franse neiging tot utopisch denken wordt afgewisseld met nostalgisch denken. Alle conflicten die hij aanwijst, de drang om naar centralisatie en het verlangen naar decentralisatie, de hegemonie van Parijs en de mystieke liefde voor la France profonde, om maar twee voorbeelden te geven, laten die gespletenheid zien. Het Franse denken, wil hij aantonen, heeft een onnavolgbare drang om het leven in een universele blauwdruk vast te leggen, wat wel op een deceptie moet uitlopen. Daarbij hink-stap-springt hij wild door de Franse geschiedenis en cultuur en komt telkens weer met nieuwe voorbeelden om zijn inzichten te illustreren, los van hun historische context. Omdat hij zich daarbij ook nog eens, uit puur enthousiasme voor zijn onderwerp, verliest in details, zal zijn boek voor iemand die niet al stevig is ingevoerd in de Franse geschiedenis en cultuur een flinke opgaaf zijn. Jammer, want Hazareesingh kan onderhoudend schrijven en zijn affectie voor alles wat Frans is, is oprecht, juist omdat hij een scherp, ironisch oog heeft voor de innerlijke contradicties in het Franse denken en de onnavolgbare hang naar retoriek en hyperbool.

Woede

Aan het boek van Fenby kleeft een ander bezwaar. Zijn geschiedenis van het moderne Frankrijk is zakelijk en verhelderend, maar geschreven door een journalist, niet door een historicus. Fenby, die al zijn hele leven over Frankrijk schrijft, vertelt te veel op een verslaggeverstoon – in dat jaar was de werkloosheid groot, in de Vendée brak een opstand uit, de prijzen stegen, etc. – waardoor zijn kroniek opsommerig wordt en geen diepte krijgt. Pas wanneer hij bij De Gaulle is aangeland, over wie hij eerder schreef, gunt hij zichzelf de ruimte om een echt portret te schetsen, waardoor zijn verhalende geschiedenis reliëf krijgt.

Zowel Fenby als Hazareesingh schrijft kritisch over het huidige Frankrijk, dat een reële crisis alleen maar groter maakt door eindeloos over het verlies van cohesie en grandeur te jeremiëren. Bij Hazareesingh klinkt zelfs woede door wanneer hij beschrijft hoe een intellectueel als Finkielkraut zijn civiele nationalisme heeft ingeruild voor benauwd etnisch nationalisme. Maar uit beide boeken spreekt tegelijk een onmiskenbare liefde voor alles wat Frans is – zij het tegen beter weten in.

    • Bas Heijne