Pietertje Prik

Het is de taak van een columnist om de maatschappij kritisch door te lichten. In alle bescheidenheid probeer ik dat ook. Smaken verschillen, maar als lezer houd ik er ook niet van om columns te lezen die alleen maar over koetjes en kalfjes gaan. Bovendien geven de ontwikkelingen in onze stad mij regelmatig genoeg zorg om in een ‘harde’ column te gieten. Maar tegelijkertijd moet kritiek geen doel op zichzelf worden.

Want soms zie ik positieve dingen waar ik als Rotterdammer trots op ben. Zo bezocht ik onlangs een bijeenkomst in de Pauluskerk. Bijstandsgerechtigden waren daar bij elkaar om te praten over de gevolgen van de druk die ze steeds meer opgelegd krijgen van beleidsmakers die ‘elke vorm van privacy of menswaardigheid overboord hebben gegooid’ in hoe ze deze mensen behandelen.

Ik sprak met Pieter Wondergem. Hij voldoet niet aan het stereotype beeld van ‘de bijstandstrekker’. Pieter is een hoogopgeleide man met een redelijk kakkerig accent die dertig jaar lang ondernemer is geweest. Omdat hij met zijn 60-jarige leeftijd niet meer aan de bak komt zit hij sinds een paar maanden noodgedwongen in de bijstand.

Pieter is boos op de verdringing die hij heeft moeten begaan als bijstandsgerechtigde. Hij moest vuilnis prikken en administratief werk doen als ‘tegenprestatie’ en kreeg dus geen salaris zoals de mensen die dat voor hun beroep doen. Het Rotterdamse beleid drukt zo kunstmatig de lonen en zorgt voor meer werkloosheid. Ook legt Pieter – hij noemt zichzelf nu Pietje Prik – uit hoe Rotterdamse ambtenaren bijstandsgerechtigden bij voorbaat als tuig behandeln: „Het uitgangspunt is wantrouwen, niet menselijkheid”, roept hij kwaad.

Het gaf mij hoop en trots dat niemand in de Pauluskerk ‘hun’ – asielzoekers, ‘allochtonen’ of moslims – de schuld gaf van hun problemen. Dat soort onzin hoor ik wel volop bij Rotterdammers uit de middenklasse. Ik vroeg Pieter hoe hij vroeger als ondernemer dacht over de bijstand. Hij antwoordde beleefd doch eerlijk: „Ik dacht er in clichés over. Nu weet ik beter.”

Zinnige woorden van deze Rotterdammer. In onze arbeidersstad moeten we eens stoppen met clichédenken en weer solidair zijn met elkaar. Zo werden we lang geleden sterk, voor we onszelf door politici lieten aanpraten dat het allemaal ‘hullie schuld’ is. Zoals de Rotterdammer Desiderius Erasmus ooit zei: „Het volk sticht en kweekt de steden, de dwaasheid der vorsten verwoest ze weer.”