Ongehoorzaam oud worden

Ouderen zijn niet machteloos tegenover een systeem dat hen verhindert gezond te blijven. In het boek Oud worden in de praktijk bieden twee artsen tegenwicht met een serie tegelwijsheden.

‘We hebben bedrijven opgericht die de laatste psychologische inzichten en geavanceerde marketing gebruiken om ons te veel, te vet, te zoet en te zout te laten eten.” Dat is een sleutelzin in het nieuwe boek van verouderingsprofessor Rudi Westendorp en zijn collega David van Bodegom.

Met ‘We’ bedoelen de schrijvers: wij allemaal, wij met elkaar in de westerse wereld.

Het is een sleutelzin omdat het de lezer gaandeweg duidelijk wordt dat individuen vrijwel machteloos staan tegenover die dikmakende omgeving die ons belemmert om gezond oud te worden. Maar dat we samen wel ongedaan kunnen maken wat we ooit gemaakt, opgericht en ingericht hebben. Dat geldt voor steden vol auto’s zonder speel-, beweeg- en ontmoetingsruimte. En het gaat ook om die machtig geworden voedingsindustrie die ons ontglipt is.

Het boek staat vol praktische tips. De eerste helft gaat over de gewone, toch vaak individuele dingen (verander je leefstijl, ga lunchwandelen, neem vaker de trap, eet gezond) en over nieuw bewijs voor gezond verouderen: bouw een sociaal netwerk op, slaap goed, dim ’s avonds je licht, gebruik een lichtwekker, zet de thermostaat een graadje lager, verstop de tv en haal de hobby’s naar de woonkamer. De leefstijladviezen zijn simpel als tegeltjeswijsheden. Regelmatig staan tijdens het werk is net zo gezond als driemaal per week een avond trainen in de sportschool. Verwacht in dit boek niks van extra vitaminen, mineralen, van superfoods of havermout: „Gezond eten is vooral: niet meer eten dan je per dag nodig hebt.”

Verderop in het boek gaat het steeds meer om die dikmakende omgeving. Die moet je samen aanpakken. Regering en politieke partijen leggen de verantwoordelijkheid voor gezond oud worden domweg bij het individu. Onze politieke vertegenwoordigers in Den Haag en Brussel worden platgelobbyd door de voedingsindustrie. Daar hoeven we weinig van te verwachten.

Nee, wíj hebben die bedrijven opgericht. En nu hebben we er last van. We moeten er dus van af. Wat we konden oprichten kunnen we ook weer afschaffen. Of ze moeten zich verbeteren, omdat wij dat willen.

Westendorp en Van Bodegom hebben nog geen recept om de voedingsindustrie of de supermarkten aan te pakken. „Onlangs kon op televisie een woordvoerder van de frisdrankindustrie nog met droge ogen uitleggen”, schrijven ze, „dat frisdrank voor 90 procent uit water bestaat en dat frisdrank je helpt om twee liter water per dag te drinken.” Wie de maatschappelijke werkelijkheid (de helft van de Nederlanders is te dik door te hoge energie-inname en dat verhindert gezond oud worden) zo negeert, zal zich van een groepje activistische burgers voorlopig weinig aantrekken.

De industrie laat zich nauwelijks de les lezen, maar de overheid laat zich tegenwoordig wel sturen door wat in de jaren tachtig ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’ heette. Er zijn moderne namen voor: tactical urbanism, city-repair of guerilla gardening.

Waar het om gaat is dat stadsmensen op braakliggende terreinen zelf moestuinen, fruitbomen, speelplaatsen en gezond-eten-restaurantjes aanleggen. Of zelfs het plaveisel in hun straat vervangen door gras en speeltuin.

Westendorp en Van Bodegom geven voorbeelden uit Leiden, Den Haag, Berlijn en Gent. Daar zijn die initiatieven van enthousiaste voorlopers inmiddels onderdeel van het gemeentelijk beleid. Groepen mensen die hun straat willen vergrassen hoeven dat niet meer helemaal zelf te doen, maar krijgen hulp. Er is meer moois mogelijk: de wandelende schoolbus bijvoorbeeld. In plaats van ouders die allemaal hun eigen kind in hun eigen auto naar school brengen, en daarbij de schoolbuurt onveilig maken, kan het kind dat het verst van school woont onder begeleiding naar school gaan lopen. En onderweg sluiten de medeleerlingen aan. In de VS zijn daardoor al gele schoolbussen uit de dienst genomen. Wat heeft dat te maken met gezond oud worden?

Veel, schrijven Westendorp en Van Bodegom. Het zijn allebei artsen die de spreekkamer verlieten omdat ze denken op die manier mensen beter gezond kunnen houden.

Om hun bezwaar tegen de medische praktijk duidelijk te maken, vergelijken ze de medische wereld met de auto-industrie. Auto’s kunnen worden gerepareerd, net als mensen. Maar auto’s zitten tegenwoordig vol technologie die ongelukken moet voorkomen. Of de ernst beperken. Dat doen artsen niet. Zij wachten tot de patiënt ziek binnenkomt en trekken dan alles uit de kast om de patiënt voort te helpen.

Dat zorgt ervoor dat miljoenen mensen medicijnen slikken tegen hoge bloeddruk, hoog cholesterolgehalte, diabetes, slaapproblemen, depressie, botontkalking en behandeld worden voor lage rugpijn. Het zijn verschijnselen en ziekten die de levensduur bekorten, „waarvan we weten dat ze door een gezonde leefstijl kunnen worden voorkomen”, schrijven Westendorp en Van Bodegom. En ze vinden: „De dokter geneest niet. Dat moet de patiënt zelf doen.”

Ze vinden dat het tijd is voor nieuwe volksgezondheid. Volksgezondheid, het woord is verbonden met de bestrijding van infectieziekten in de vorige eeuw. Volksgezondheidbeleid komt voort uit het werk van de hygiënisten die al voor 1900 de aanleg van drinkwaterleidingen, riolen en ruim opgezette woonwijken bepleitten. Het waren aanvankelijk eenlingen onder de artsen en enkele politici die uiteindelijk het gelijk aan hun kant kregen. Dat moet opnieuw gebeuren. Arme, laagopgeleide mensen in Nederland leven zeven jaar korter en zijn 19 jaar langer ziek dan hoogopgeleide rijken. Die 19 jaar kunnen we in ieder geval winnen met gezonder leven, vinden Westendorp en Van Bodegom.

    • Wim Köhler