Niets bleef hetzelfde bij ‘oorlogscafé’ De Schouw

Wat zijn de nieuwe, beste restaurants van Rotterdam? Frank van Dijl en Wim de Jong brengen wekelijks voor NRC in kaart wat de stad te bieden heeft.

De originele bar van café De Schouw in het openingsjaar, 1940

Was De Schouw fout in de oorlog? We weten het niet. Het café in de Witte de Withstraat, dat komende zondag zijn vijfenzeventigjarig bestaan viert, was wel fout ná de oorlog. In juni 1946 oordeelde de tuchtrechter dat de zaak een maand dicht moest omdat jenever per glas „tegen te hoge prijs” werd verkocht.

De Schouw opende zijn deuren op 12 september 1940, nog net geen vier maanden na het bombardement dat de Rotterdamse binnenstad verwoestte. Al in augustus kondigde het Rotterdams Nieuwsblad de opening aan „van een groote moderne bar” met „aan een lange toonbank hooge stoelen, langs de wanden lage tafels en dito fauteuils.” Een in het oog lopende schouw zou „voor een gezellige intieme sfeer zorgen.”

In een bericht op de dag na de opening repte de krant van „een zeer artistieke bekleeding en meubileering”.

Hoe zat dat, in de eerste maanden van de bezetting, in een stad die half in puin lag? Kon je zo gemakkelijk een café („bar-bodega”) beginnen? Over het begin is bijna niets bekend, maar in het boekje De Schouw, dat zondag door de huidige uitbaatster Tineke Speksnijder wordt gepresenteerd, lezen we dat het latere kunstenaars- en journalistencafé zijn bestaan misschien juist heeft te danken aan het bombardement van 14 mei 1940.

Het café aan de Schiedamsedijk waar Jan Muller als kelner werkte was door de Duitse bommen weggevaagd, hij zocht werk. Dirk Koring had net zijn Wester Paviljoen verkocht: zijn tapvergunning liet hij overschrijven naar het pand aan de Witte de Withstraat 80 waarvan hij eigenaar was. Eén plus één was twee – of in dit geval De Schouw. Jan Muller kon weer aan de slag. Zijn naam staat onder de wervende advertenties die in de oorlog nog een paar keer in de krant opduiken.

Hans van der Pauw, auteur van het monumentale Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog, zegt: „Ik ben bang dat ik nauwelijks antwoorden op uw vragen heb en in mijn boek zult u die ook niet vinden. Het uitgaansleven – met name in cafés, dancings en theaters – bloeide tijdens de oorlog, in ieder geval tot in 1943. Daar was in die zorgelijke tijden sterke behoefte aan. Gaandeweg werd wat betreft de consumpties alles wel schaarser en duurder natuurlijk.”

Michel Schreuder, samensteller van het jubileumboekje, stelt vast dat „een dagenlange speurtocht in het Stadsarchief, de Koninklijke Bibliotheek en zelfs bij Heineken bitter weinig heeft opgeleverd over de gang van zaken rond de oprichting en in de oorlogsjaren.”

Er zijn natuurlijk wel verhalen. Op de schouw, waaraan het café zijn naam dankt maar die al bij de eerste grootscheepse verbouwing in 1947 verdween, stond in pseudogotische letters: „Hou en trouw bij de Schouw”. Dat zou kunnen duiden op Duitse sympathieën. Aanhangers van de NSB droegen speldjes met „Hou en trou” erop, zonder de w. Dat er in het interieur van De Schouw nazi-symbolen verstopt zouden zijn, is nooit aangetoond.

Bij de renovatie van 1947 kreeg De Schouw zijn huidige aanzien: een chique bar met wulpse vormen en fraai stucwerk in het plafond. Toch is de bar waar we vandaag aanschuiven niet dezelfde: vorig jaar werd in een week tijd een nieuwe gebouwd, geheel gemodelleerd naar de oude.

Met de posters uit de jaren zeventig aan de wand, ziet de kroeg er nog net zo uit als op 1 mei 1973, de dag waarop ik bij Het Vrije Volk begon en dus voor het eerst De Schouw binnenstapte. Als je als journalist in de Witte de Withstraat werkte, zat je hier haast net zo vaak als achter je bureau.