Muziekgeneralissimo

Politiek en artistiek stonden de componisten Dmitri Sjostakovitsj en Nicolas Nabokov recht tegenover elkaar. De eerste kennen we goed, de tweede wordt nu gerehabiliteerd.

Het contrast kon nauwelijks groter zijn tussen de twee Russen die tijdens een door links Amerika mogelijk gemaakte cultuurconferentie in het Waldorf-Astoria Hotel in New York tegenover elkaar zaten. De beroemde componist Dmitri Sjostakovitsj, afgevaardigd namens de Sovjet-Unie, oogde gespannen en verlegen en friemelde nerveus met zijn sigaretten. De weinig bekende componist, culturele activist en anti-stalinist Nicolas Nabokov (1903-1978) was juist extravert en vol zelfvertrouwen. Hij beleefde op dat moment in 1949 zijn publieke doorbraak: de ooit met zijn familie uit revolutionair Rusland gevluchte Nabokov zette Sjostakovitsj ten overstaan van 800 aanwezigen voor het blok.

Nabokov kreeg de microfoon, en vroeg: onderschreef Sjostakovitsj persoonlijk het officiële Sovjetstandpunt dat de muziek van Stravinsky, Hindemith en Schönberg inderdaad ‘obscuur en decadent’ is en daarom in de Sovjet-Unie terecht verboden is? Sjostakovitsj, omringd door Sovjet-afgevaardigden, beaamde dit schaapachtig. Nabokov pareerde dat intellectuele uitwisseling tussen Oost en West juist een sleutel was tot vrede en dat de muziek van deze componisten in de Sovjet-Unie wél uitgevoerd zou moeten worden. Waarop het met Sjostakovitsj sympathiserende publiek Nabokov uitjouwde terwijl deze demonstratief de zaal verliet.

De Amerikaanse kranten deden hiervan gretig verslag. Zo groeide de onvermoeibare Nabokov uit tot woordvoerder van de vrije kunsten. Hij werd benoemd tot secretaris-generaal van het nieuwe Congress for Cultural Freedom. Deze organisatie wilde als een soort cultureel Marshallplan de invloedssfeer van de Sovjet-Unie in Europa terugdringen – én de avant-gardistische superioriteit van de Westerse cultuur benadrukken – middels grootschalige moderne muziekfestivals en conferenties in West-Europa en zelfs Azië en Latijns-Amerika. Saillant detail: de financiën kwamen grotendeels van de CIA, via een fonds dat als façade fungeerde. De onthulling van dat geheim in 1966 ondergroef Nabokovs statuur als liberaal voorvechter van de transparante vrije wereld, al ontkende hij hiervan op de hoogte te zijn geweest.

Rokkenjager

Sindsdien heeft Nabokov een weinig florissante reputatie. Marionet van culturele propaganda, rokkenjager, een tweederangs componist bovendien, en veel minder beroemd of getalenteerd dan zijn volle neef Vladimir ‘Lolita’ Nabokov. Tijd voor een rehabilitatie, dacht cultuurhistoricus Vincent Giroud, en schreef de gedetailleerde biografie Nicolas Nabokov. A Life in Music.

Giroud toont met veel anekdotes dat Nabokov een aantrekkelijke ooggetuige was van de culturele wereld van de twintigste eeuw. Nabokov kwam uit een gegoede familie, sprak vier talen vloeiend en heeft gewoond in Rusland, Duitsland, Frankrijk en de Verenigde Staten. In de culturele hoofdsteden Parijs, Berlijn en New York bleek netwerken zijn grootste talent. Het vermijden van namedropping is onmogelijk: Nabokov had het charisma van een leeuw, verkeerde in de kringen van de Ballets-Russes en ontmoette uiteenlopende figuren als Isaiah Berlin, Henri Cartier-Bresson, Koude Oorlogstrateeg George Kennan en Indira Gandhi. Met Prokofjev maakte hij een memorabele Franse autorit langs de beste restaurants, met Stravinsky ontwikkelde hij een moeizame, maar langdurige vriendschap. De bijnaam ‘cultuur- generalissimo’ heeft hij aan Stravinsky te danken.

Hoe helder ook zijn schrijfstijl, helaas trapt Giroud in de bekende val van een biograaf: hij sympathiseert zodanig met zijn onderwerp dat hij volkomen partijdig wordt. Dat Giroud goed bevriend was met de weduwe van Nabokov (diens vijfde vrouw) helpt daarbij niet. Zo kan Nabokov in de loop van ruim vierhonderd pagina’s nauwelijks nog iets fout doen. Nabokovs confrontatie met de met handen gebonden Sjostakovitsj, doorgaans afgekeurd als ‘moreel superieur gedrag’, ziet Giroud juist als een dappere poging om de hypocrisie van de Sovjetpropaganda te ontmaskeren.

Ander voorbeeld: Slavist en Rusland-specialist Sjeng Scheijen noemt in zijn Diaghilev-biografie Nabokov ‘zeker de minst getalenteerde’ componist met wie impresario Diaghilev ooit samenwerkte. Scheijen geeft als verklaring dat Nabokov lekker goedkoop was en in Sint Petersburg ooit bevriend was geweest met Diaghilevs familie. Of deze argumenten steek houden of niet, Giroud rept er niet over.

Nabokovs ballet Ode was wat de biograaf betreft een terechte opdracht en een succes bovendien. Zoals Giroud ook Nabokovs andere composities wat droog maar bij voorkeur lovend omschrijft. Zelf oordelen is moeilijk, gezien de obscuriteit van zijn muziek. Nabokovs cantate Symboli chrestiani klinkt in elk geval veel meer als het werk van een Stravinsky-epigoon dan Giroud durft toe te geven.

Sovjetheilige

Of Nabokov iets van de CIA-connectie van het Congress afwist, valt moeilijk hard te maken, maar ondanks Girouds uitvoerige pogingen ook niet volledig te ontkennen. De invloed en het succes van het Congress is überhaupt moeilijk te meten. Overtuigend is niettemin Girouds verdediging van de prestaties van het Congress, dat met een megafestival in Parijs in 1952 toch maar mooi vele werken van Stravinsky, Berg, Boulez en een enkele Amerikaan presenteerde, en dergelijke festivals nog een aantal keer wist te herhalen. Waarschijnlijk hield de CIA zich met de inhoud nauwelijks bezig, en was de geheime geldstroom in de praktijk dus feitelijk een overheidssubsidie voor avant-garde-kunst.

Nabokov ontmoette Sjostakovitsj nog één keer, tijdens zijn eerste bezoek aan de Sovjet-Unie in 1967 op uitnodiging van de Russische ambassade. Nabokov bezocht de datsja van de beroemde cellist Mstislav Rostropovitsj, die de verjaardag van zijn dochtertje vierde met gin en Bulgaarse rode wijn. Het weerzien met Sjostakovitsj verliep beleefd. Maar na het bijwonen van een cantate van Sjostakovitsj over de Sovjetheilige Stenka Razin becommentarieerde Nabokov: ‘not my cup of tea.’