Mr. Xi gaat naar Washington

Cyberspionage, onenigheid over de eerlijke toegang tot elkaars markt, broeikasgassen en oplopende geopolitieke spanningen: de agenda voor het bezoek dat de Chinese president Xi Jinping deze week brengt aan de Verenigde Staten is overvol. Het gaat hier niet om een doorsnee-staatsbezoek. De visite van de opkomende supermacht aan de heersende is doorspekt met symboliek en vindt plaats onder moeilijke omstandigheden.

De Chinese economie is hard op weg de Amerikaanse in omvang in te halen: ergens in de jaren twintig van deze eeuw kan dat zijn beslag krijgen. Gecorrigeerd voor binnenlandse koopkracht is China nu al groter – al is de betekenis daarvan in het internationale speelveld beperkt. Maar op de korte termijn lijken de VS zich met een groeispurt los te maken van de erfenis van de financiële crisis. Terwijl China juist een zeer moeilijke economische periode doormaakt, waarbij het de overgang moet maken van een op investeringen gericht groeimodel naar een samenleving die het moet hebben van individuele welvaart en consumptieve bestedingen.

De posities lopen op meer punten uiteen. Xi wordt gezien als de machtigste Chinese leider sinds Deng Xiaoping eind jaren zeventig en hij heeft een resterende termijn van een kleine vijf jaar. Hij gaat in gesprek met de Amerikaanse president Obama die bezig is aan het laatste volle jaar van zijn termijn en die kampt met structurele tegenwerking van een in meerderheid vijandig Congres. Dat kan deels verklaren waarom Xi woensdag eerst in conclaaf ging met de toplieden van de belangrijkste Amerikaanse technologiebedrijven, waaronder Apple, Google en Microsoft, alvorens vanaf gisteren pas de hoofdstad Washington aan te doen. De CEO van China doet eerst zaken met de CEO’s van genoemde bedrijven. Die zijn er nog wel een tijdje en zijn een persoonlijke investering waard.

Het wordt uiterst lastig om onder al deze omstandigheden tot politieke overeenstemming te komen over de belangrijkste onderwerpen van het staatsbezoek. China’s expansiedrang, met name in de Zuid-Chinese zee, geeft grote reden tot zorg maar zal niet onderhandelbaar zijn. Spionage, met of zonder cybervariant, was en is staande praktijk tussen de grote machten. En een gelijk speelveld voor westerse bedrijven in China moet onderdeel zijn van een verstrekkender poging dat land de rest van wereldeconomie in te trekken – inclusief spelregels die voor iedereen gelden. Maar dat, mocht het al lukken, vergt tijd.

Wat rest? De dialoog. Dat klinkt niet erg ambitieus, maar is het wel. Twee grootmachten die in gesprek blijven is een groot goed. Zeker als ze ook bij elkaar op visite blijven gaan.