Meer dan koffiemokkunst

Keith Haring staat nu vooral bekend om zijn kunst op koelkastmagneten en rompertjes. Maar hij was ook een actievoerende rebel. Over die politieke kant gaat zijn tentoonstelling in de Kunsthal.

Beeld Keith Haring Foundation

Vorige week doken ze ineens op bij verschillende Rotterdamse metrostations: blaffende honden, rennende mannetjes, in zwarte of witte contouren op de muren gekleefd. En wie zal ze niet herkennen: dit zijn emblemen van de jonggestorven kunstenaar Keith Haring (1958-1990) aan wie de Kunsthal een grote najaarstentoonstelling wijdt, The Political Line.

Deze wandversieringen zijn tentoonstellingsreclame en kunstwerk tegelijk. En dat past bij Haring, die ook graag kunst en reclame mengde. Ze laten zien waar hij eigenlijk vandaan kwam: na de kunstacademie te hebben doorlopen in New York trok hij daar rond 1980 de straat op en metro’s in. Met wit krijt maakte hij op zwart papier snelle tekeningen naast de reclameposters die in de metrostations hingen. Hij tekende kronkels van honden, slangen, computers, dansers. In Rotterdam zijn die poppetjes netjes getekend, daar vervlakken ze tot styling. Maar in dat chaotische New Yorkse gangenstelsel moeten ze een diep gevoelde oproep tot dans, leven, verbeelding zijn geweest.

Daarmee ageerde hij tegen de valse beloftes van zowel reclameposters als van kerk en politici. Beeldbepalend, vond schrijver William Burroughs: „Net zoals niemand meer naar een zonnebloem kan kijken zonder aan Van Gogh te denken, kan niemand in de New Yorkse metro zitten zonder aan Keith Haring te denken.”

Dat Haring een street artist en rebel was, al tekenend actievoerend tegen racisme en de Koude Oorlog, dat zijn de meesten van ons vergeten. Wie aan Haring denkt, al dan niet met een vermoeide zucht, denkt aan koffiekopjes en koelkastmagneten versierd met poppetjes. The Political Line rehabiliteert hem als een provocateur, wiens wortels liggen in zijn duizenden Subway Drawings.

Vergissen was geen optie

Die tekende hij gehaast – graffiti was verboden – elk beeld in één lijn neerzettend. Vergissen was geen optie. Maar die symbolen waren meer dan dat. Hij wilde ze laten functioneren als woorden, verhalend over macht, onderdrukking, technologie, en ontwikkelde zo een heel eigen beeldtaal na nota bene een studie semiotische theorie – toch niet helemaal van de straat.

Elf van die Subway Drawings hangen in de Kunsthal, als ankerpunt in de expositie. Maar daar zit hem het probleem. Want hoe valide bovenstaande allemaal ook klinkt: op die witte muren verliezen de metrotekeningen hun kracht. Sereen, tam. En dat waren ze niet in hun oorspronkelijke omgeving vol chaos en vuil en herrie – getuigen de foto’s, die er gelukkig ook hangen.

Maar al verzwakken de Subway Drawings in een witte zaal, Harings andere werken – vooral de vroege – houden wel hun angel. Neem de Penis Drawings, die hij ook in één lijn neerzette. Ferm richten de piemels zich in alle richtingen op. Sterk zijn ook zijn politieke collages, met krantenkoppen over Reagan naast foto’s van de Ku Klux Klan. Een schilderij tegen de vleesindustrie, grafisch zwart-wit als de Subway Drawings, overlaadde hij met bloedrode verfspetters en de woorden: ‘Everybody knows where meat comes from. From the store’.

Zodoende slaagt de Kunsthal in zijn opzet: vergeleken met het veel religieuzer overzicht in Museum Boijmans Van Beuningen in 2002 toont deze expositie een boze en politiek bewogen kunstenaar. Niet alleen in zijn vroege werk. Maatschappelijke verontwaardiging bleef Haring motiveren. Metersbreed portretteerde hij in 1985 een tv-dominee als een monster omringd door dollarbiljetten en een bijbel die vlammen en slangen voortbrengt. En blij als zijn poppetjes vaak dansen, banen ze zich met tanks en ketenen een weg omhoog op de gigantische penis-sculptuur The Great White Way uit 1988, een aanklacht tegen kolonialisme en westerse supermachten.

Ook hier kun je buttons kopen

Rauw, politiek, activistisch, en toch kun je ook bij deze tentoonstelling – nee, ín deze tentoonstelling – buttons kopen, servetten, potloden, rompertjes. Er staat een complete winkel en dat voelt als een groot contrast. Toch hoeven we geen medelijden te hebben dat Haring postuum zo commercieel wordt uitgebaat. Het was zijn eigen ambitie om het tot koelkastmagneet te schoppen.

Zo fel als hij de kerk en politiek bekritiseerde, zo graag omarmde hij de massacultuur. Posters maakte hij liefst in hoge oplages en hij opende eigenhandig in 1986 zijn eerste Pop Shop met kunstgadgets voor de gewone man. Kunst op straat was niet genoeg, het zijn hebbedingen die kunst werkelijk toegankelijk maken.

Dat is een interessant concept, maar dodelijk voor zijn geloofwaardigheid. De rebel werd establishment. Haring kreeg opdrachten voor theaterkostuums, muurschilderingen, voor een logo voor de stadsreinigingsdienst in New York – die nota bene graag graffiti verwijderde. Als merk sloeg Haring dusdanig aan dat hij zijn Pop Shops sloot omdat er zo veel imitatie-Haring op de markt kwam, ware hij een Prada of Gucci.

Toen kwam het doodvonnis

Het is dus kunst met een januskop. Ogenschijnlijk oppervlakkig had Haring artistiek talent genoeg en paste hij in de hoek van Basquiat, Warhol en ‘affichistes’ uit de Europese pop-art. Ook dat zie je gelukkig in de Kunsthal. Tussen de 138 werken hangen veel stilistische experimenten, zoals zijn late collage-achtige schilderijen. Indrukwekkend is een weinig getoond en raadselachtig schilderij uit 1988, drie bij drie meter groot en beplakt met een jeugdfoto omringd door duivels en doornenkronen. Abstracties en figuratie overlappen elkaar in een beklemmende dynamiek. Het is een van zijn beste werken. Dit maakte hij in het jaar dat hij de diagnose hiv kreeg, wat destijds nog een doodvonnis was. Hij had het aan zien komen: zijn vroegere minnaar en verschillende vrienden had hij al verloren aan de ziekte.

Bij hemzelf zou het ziekteverloop snel gaan. Hij was slechts 31 jaar oud toen hij in februari 1990 stierf aan de gevolgen van aids, na een kunstenaarscarrière die maar tien jaar had geduurd. Maar juist in zijn laatste maanden had hij als een bezetene gewerkt. De diagnose had hem aangezet tot een enorme eindspurt, met joekels van schilderijen, wilder dan ooit, al wisselt de kwaliteit. Hij schilderde te grof, met herhalingen van zetten – te veel haast had hij misschien – maar ook met uitschieters naar boven.

Bijzonder is om het laatste schilderij te zien dat hij maakte, uit november 1989. Zeer verzwakt schilderde hij, zonder zwart maar met felle kleuren, mensen met geheven armen. Het zijn dezelfde poppetjes als eerder in de Subway Drawings, die nu een andere betekenis lijken te dragen. Al huilt de druipende verf, de mensen juichen. Levenslust boven alles.

    • Sandra Smets