Je leeft om het geheugen te laten spreken

Een coup de foudre was het, toen de Franse auteur David Foenkinos in aanraking kwam met de gouaches van de joods-Duitse Charlotte Salomon (1917-1943). ‘Ik wist: hier heb ik op gewacht.’ Hij schreef een boek over haar.

David Foenkinos: ‘Ik was zo één met Charlotte, ik wilde haar tot het eind begeleiden’

Een groene oase verborgen achter een stalen poortdeur in het 12de arrondissement van Parijs, een pad tussen hoge bamboe leidt links en rechts naar atelierwoningen. Hier is David Foenkinos (1974) zes maanden geleden naartoe verhuisd, nadat zijn dochtertje was geboren. Daarvoor woonde hij in een klein tweekamer-appartement, in bed lag hij ‘met zijn hoofd naast de koelkast’.

Zijn nu vertaalde boek is een bijzondere evocatie van het leven van de joods-Duitse kunstenares Charlotte Salomon (1917-1943). Hij schetst haar leven, haar kindertijd in Berlijn, haar uitzonderlijke talent waardoor zelfs de kunstacademie die in oorlogstijd joden weigerde, haar toch toeliet. Hij vertelt over haar familie waar zelfmoord schering en inslag was, over haar grote liefde voor de zangleraar van haar stiefmoeder, over de autobiografische gouaches waarin ze haar levensverhaal verbeeldde, over het verraad en haar transport naar Auschwitz, waar ze in 1943 werd vermoord. Foenkinos’ zinnen zijn eenvoudig, nooit langer dan één regel, en beginnen steeds vooraan de kantlijn. Zijn boek eindigt in Amsterdam, waar haar vader en stiefmoeder een goed heenkomen vonden. Zij schenken Charlottes werk, Leven? Of theater?, waaraan zij haar laatste levensjaren als een bezetene werkte, in 1971 aan het Joods Historisch Museum.

Uw romans van vóór Charlotte staan in het teken van Proust, Modiano en Albert Cohen. Charlotte laat een verandering van register zien, nu kiest u voor een motto van Kafka.

„Zelf zie ik die registerverandering niet zo. Ik houd ervan verhalen te vertellen en mijn herinneringen vormen een bron van inspiratie. In Charlotte ben ik voor het eerst zelf aanwezig in mijn boek. Ze raakte me, ik moest verwoorden wat ik voor haar voelde, ik moest de lezer bij de hand nemen. Het kon geen klassieke, afstandelijke biografie zijn. Die persoonlijke, intense betrokkenheid – daarin schuilt voor mij de verandering. En in de stijl natuurlijk. Die zou de lezer kunnen afschrikken, maar iedere andere vorm was onmogelijk.”

Waarom was deze vorm, van korte zinnen als was het een gedicht of lied, onontkoombaar?

„Ik heb eindeloos veel kladversies gemaakt, een biografie, een toneelversie, ga maar door. Maar pas toen ik deze vorm had gevonden kon ik verder. Door steeds vooraan de regel te beginnen kreeg ik het ritme dat ik zocht. Fysiek en visueel kon ik toen ademen. Daarvóór werd ik verstikt, Charlotte raakte me te diep. Ik dacht voortdurend aan haar energie, haar strijd, haar intelligentie. Ik wilde dat het boek gedragen zou worden door leven en licht. Bovendien wilde ik niet weer eenzelfde soort boek maken. Met humor een serieus verhaal vertellen, dat kon ik nu wel. Ik wilde risico nemen, mezelf verliezen, een nieuwe uitdaging aangaan.”

En het motto van Kafka?

„Ik houd van de Duitse cultuur, muziek en schilderkunst. In mijn bewondering voor Charlotte komt alles samen. Ik heb zo’n tien jaar aan dit boek gewerkt, alle plekken bezocht waar ze woonde, boeken gelezen over Duitsland in die jaren, werk van Hannah Arendt, Thomas Mann en Walter Benjamin. Ik heb alles gelezen over bannelingen in Nice rond 1943, over Marc Chagall en Max Beckmann, de schilders die Charlotte hebben beïnvloed. Kafka zat echt in het hart van het duizelingwekkende van die generatie. Der Prozess is visionair: men wordt opgepakt zonder de minste reden. Intellectueel, wetenschappelijk en cultureel is Duitsland dan op zijn hoogtepunt. En al die joden voor wie Duitsland belangrijker is dan wat dan ook, zoals voor de vader van Charlotte, worden gearresteerd, vernederd en vernietigd.”

In uw boek beschrijft u uw kennismaking met Charlottes werk als een echte ‘coup de foudre’.

„Soms zegt men dat de coup de foudre de herkenning is van iets dat je al in je hebt. Een mooie formulering, en ik had dat precies zo. Toen ik haar werk zag, kwam het overeen met iets waarop ik gewacht had.”

U bent Charlotte geworden, lijkt het wel.

„Ja, je kunt echt iemand na komen door zo intens in zijn voetsporen te treden. Kent u deze zin van Walter Benjamin: ‘Er is een onuitgesproken afspraak tussen de voorbije generaties en de onze, op aarde wordt er op ons gewacht’. Mooi, hè? Ik vind het prachtig dat je op de wereld bent om het geheugen te laten spreken. Daarom citeer ik Modiano ook vaak. Hij zei ooit: ‘ik was twintig, maar mijn dood ging aan mijn geboorte vooraf’. Dat maakt je drager van gevoelens. Het geheugen is een manier om een intelligente, échte relatie te hebben tot het leven.”

Hoe ervaart u dat dan?

„Ik geloof in de geschiedenis van gevoelens. Toen ik in Berlijn was ben ik in een café gaan zitten, tegenover het huis waar Charlotte heeft gewoond. Ik stelde me voor dat ik in de jaren dertig leefde, dat ze naar buiten kwam en naar school ging. Ik heb het hele traject dat ze dagelijks aflegde gevolgd. Dan lopen de tijden echt door elkaar. Je kunt haar gouaches in een museum bekijken, maar je kunt ze nog beter begrijpen op de heuvels van Villefranche sur Mer, als je hetzelfde licht ziet, dezelfde geuren ruikt. De sensualiteit die door de tijden heen overeind blijft – ik was er volledig door van de kaart.”

Foenkinos is dat duidelijk nog steeds, de passie waarmee hij over Charlotte Salomon spreekt heeft nog niets aan intensiteit ingeboet. In zijn boek stelt hij zich scènes uit haar leven voor, tot en met het moment waarop ze de gaskamer ingaat. Mag een schrijver dat wel doen?

„Daarop heb ik inderdaad van sommigen kritiek gekregen, je kunt niet zomaar in iemands huid kruipen. Maar ik heb me die vraag niet gesteld. Ik was zo één met haar, ik wilde haar tot het eind begeleiden, tot aan haar laatste ademtocht. Daarom besluit ik mijn verhaal met dat ze zich uit de wereld terugtrekt. Ik wilde haar terugbrengen, terughalen in het licht – symbolisch dan. De kunstenaar kan via zijn erfenis overleven. Ik ontfutsel haar aan haar lot. Maar ik beweer niet dat wat ik schrijf de waarheid is, ik ben geen journalist, geen historicus, geen biograaf, maar romanschrijver. Zolang ik het niet als de waarheid presenteer, heb ik alle rechten.”

In zijn boek laat Foenkinos ook zien hoe Charlotte Salomon kunstenares werd, in eerste instantie door ‘zich aan te passen aan de waanzin van anderen’. Hij laat haar als kind haar eigen naam lezen op een graf en vertelt over de zelfmoord van haar tante, haar moeder en vele anderen uit haar familie. Haar bezetenheid houdt verband met dat suïcidale gen. Foenkinos: „Voor mij is het duidelijk: ze was gek. Maar die waanzin heeft veel kanten. Ik heb dat altijd gevoeld. Wie zou er niet gek zijn geworden van alles wat ze moest doorstaan? Haar werk heeft haar in staat gesteld haar leven opnieuw vorm te geven, haar verleden op te roepen op een vrolijk getoonzette manier. Zo heeft ze het atavisme van haar familie overwonnen. Ze onttrekt zich aan de waanzin en ellende door iets van een grote schoonheid te scheppen. Helaas treft het noodlot haar alsnog. Ja, het is een boek tegen de waanzin, tegen de vloek, tegen de ravage. Vaak denken mensen dat ik dingen verzonnen heb, dat het onmogelijk is dat een mens zoveel afschuwelijks meemaakt. Maar ik heb niets verzonnen.”

U spreekt nog steeds met grote hartstocht over Charlotte, waaruit komt die passie voort?

„Het sleutelmoment in mijn leven was toen ik op mijn zestiende bijna ben gestorven. Mensen met een bijna-dood ervaring hebben het vaak over een tunnel met licht aan het einde. Dat licht heb ik ook gezien. Ik heb maanden in het ziekenhuis gelegen en ik ben daaruit gekomen alsof ik opnieuw geprogrammeerd was. Mensen die zich met mystiek bezighouden, zeggen dat mijn leven tot dan toe op de verkeerde weg was. Na de operatie ben ik een ander geworden, ik kreeg een heel andere verhouding tot dingen, ik ben gaan musiceren, gaan schilderen. Zelfs met vrouwen was alles anders. Daarom vind ik het leven van een succesvol schrijver zo vervreemdend. Ik kan niet pretentieus zijn, het is een gave, ik heb het niet in de hand. Op een gegeven moment werden er dagelijks 3000 exemplaren van La délicatesse verkocht, terwijl ik het in twee maanden had geschreven zonder er diep over na te denken. Natuurlijk, je moet na de eerste versie nog heel hard werken, maar ik houd van werken, overdreven veel zelfs. Na mijn operatie had ik een talent dat ik daarvoor niet had. Inspiratie is iets heel vreemds.”

Foenkinos kijkt op zijn horloge, loopt naar de keuken en maakt een flesje klaar. „Kom, we gaan mijn dochtertje ophalen bij de crèche”.

    • Margot Dijkgraaf