Het nabuurschap zal zegevieren

In een dynamische, nieuwe roman volgt de Vlaamse schrijfster op de voet een flink aantal flatbewoners die wegens sloop huis en haard moeten verlaten. Aan een ieder zit in deze stadssoap een prettig steekje los.

Denk ik aan Saskia de Coster, dan denk ik al gauw aan ratten. Dat komt door Jeuk (2004), haar tweede roman, maar toevallig de eerste die ik van haar las. Het was een indringend, kleurrijk verhaal dat zich afspeelde in een of ander ver koninkrijk, een paar eeuwen geleden. Behalve een allesverwoestende rattenplaag was er een sprekende Rat, de rechterhand van de wraakgierige bastaardzoon van de koning, die de algehele regie in handen leek te hebben. Sinds Jeuk associeer ik De Coster (1976) met wonderlijke, sprookjesachtige vertellingen die alle kanten op kunnen en waarin onheil steeds op de loer ligt.

Maar in de loop van de vijf romans die ze de afgelopen tien jaar schreef, is er geleidelijk wel iets veranderd. Het sprookjeselement is niet helemaal verdwenen, maar haar boeken zijn minder grillig geworden, wat huiselijker ook. Haar vorige roman, Wij en ik (2013), een breed opgezet tragikomisch verhaal over de rijke, maar o zo ongelukkige en ongemakkelijke familie Vandersanden, werd hartelijk begroet als de Vlaamse of zelfs Europese tegenhanger van Vrijheid van Jonathan Franzen. Het leverde haar nominaties op, een prijs en enkele herdrukken.

Ook in haar dynamische nieuwe roman, Wat alleen wij horen, draait het om een groep mensen die je exemplarisch zou kunnen noemen. De mensen worden deze keer niet bijeengehouden door bloedbanden, maar door de muren van het gebouw waarin ze wonen. Plaats van handeling: een flatgebouw uit 1920, acht verdiepingen hoog, ooit gebouwd aan de stadsrand, maar inmiddels opgeslokt door de zich steeds verder uitbreidende stad. Bij oplevering was het een bijzonder gebouw, maar nu, bijna honderd jaar later, wordt het rijp geacht voor de sloop, omdat het niet meer zou voldoen aan ‘de hedendaagse energienormen’. De naam van de stad blijft onvermeld, maar uit het aantal inwoners dat wordt genoemd (twee miljoen) en enkele andere aanwijzingen (een beursgebouw dat eruit ziet als een tempel, de aanwezigheid van een kathedraal in het centrum) zou je kunnen concluderen dat het om Brussel gaat, ‘het New York van Europa’.

Het Atlasgebouw, zoals de nogal universele naam van de flat luidt, omvat veertig appartementen waar zo’n honderdtwintig mensen wonen. Van al die mensen komt een soort dwarsdoorsnede aan bod. In de loop van tientallen korte, losjes vertelde en levendige hoofdstukken leren we een bejaarde, een kind, een schrijfster, een conciërge en een journaliste steeds beter kennen. En Saskia de Coster zou Saskia de Coster niet zijn als niet aan alle deelnemers aan deze zeer geanimeerde stadssoap een steekje los zou zitten.

Groene ratten

Het bijzondere van deze romanfiguren is dat ze niet graag in hun eentje opereren. Ze roepen steeds de hulp in van anderen, al of niet aanwezig, om zich onderdeel te kunnen voelen van een ‘wij’, hoe minimaal ook. De lichtjes dementerende bejaarde luistert voortdurend bandjes af die hij zelf ooit insprak. Het zesjarige kind praat niet alleen met de dieren uit zijn prentenboeken, maar ook met parkieten, die bijna als een soort groene ratten door de roman fladderen. De schrijfster sluipt af en toe andermans appartement binnen om zich daar, voor de verandering, zelf eens een personage te kunnen voelen, door anderen bestuurd. De conciërge voert vrolijke gesprekken met een niet-bestaande pizzabezorgster. En de hyperactieve journaliste hoort stemmen in haar hoofd van wel drie verschillende vrouwen die haar steeds van alles influisteren.

De Coster voert in deze veelstemmige roman een sociaal experiment uit. Wat gebeurt er met een groep mensen die te maken krijgt met een duistere ‘Firma’ die zonder enige vorm van inspraak of overleg zijn huurders voor een voldongen feit stelt? Ze krijgen plompverloren te horen dat hun huis zal worden gesloopt. We zien hier, zo wordt losjes gesuggereerd, een samenleving op drift, die uit zijn dagelijkse sleur wordt opgeschrikt en ineens gedwongen wordt tot het maken van keuzes. Hoe gaat het dan verder?

Dat laat De Coster in alle geuren en kleuren zien. Aan de ene kant is er veel verbroedering omdat de honderdtwintig bewoners ineens oog krijgen voor hun lotgenoten. Aan de andere kant reageert iedereen op zijn of haar eigen manier. De een springt meteen op de barricade, terwijl de ander zijn schouders ophaalt. De een weet het roer al snel om te gooien, terwijl de ander bij de pakken neerzit.

Een soortgelijk sociaal experiment deed Herman Franke (1948-2010) ooit in zijn al even veelstemmige roman Wolfstonen (2003). Hij voerde twintig huisbewoners op die gebukt gingen onder een pesterige buurt. In beide romans is geluidsoverlast, ‘het laweit’, zoals het bij De Coster heet, een steeds terugkerend element.

De uitwerking van de woontroebelen is bij Franke en De Coster, hoe vergelijkbaar hun romans verder ook zijn, heel verschillend. In Wolfstonen tekent zich een onafwendbare catastrofe af, een gewelddadige botsing tussen de huisbewoners en hun vijandige omgeving. Bij De Coster maken de Atlasbewoners juist een soort loutering door. Aanvankelijk verzetten ze zich met hand en tand tegen de afbraak van de oude flat en de bouw van een nieuwe. Maar naarmate de maanden vorderen, schikken ze zich steeds meer in hun collectieve lot en zien ze ook de voordelen van verandering en vernieuwing.

Vredesengelen

We zien hier dus het gezonde verstand en een prettig soort nabuurschap zegevieren. Geen ratten, maar vredesengelen. Geen haat en nijd, maar veel vruchtbaar onderling ‘gezaag’ over de gang van zaken. Een wel erg zoete roman, zo lijkt het. Maar gelukkig is er nog altijd de frisse, montere toon van De Coster en haar onbekommerde manier van vertellen. En vooral zijn er haar mooie zinnen en beelden. Zij heeft mijn ogen geopend voor de tepel die zich in menige deurbel verstopt. Zij laat kleren van iemand ‘afregenen’. Zij noemt een drol een ‘afworst’. En ik zal nooit meer naar een kil persoon kunnen luisteren en kijken zonder ‘ijzerdraad’ in zijn stem te horen en ‘ijsblokjes’ in zijn ogen te zien.

En ook al gebeurt er in deze heuse feelgood-roman welbeschouwd zo goed als niets (de ene flat wordt opgebouwd, de andere afgebroken), toch heb ik me ruim driehonderd bladzijden lang geen seconde verveeld met het eindeloze gezaag van De Costers sympathieke soapies.

    • Janet Luis