‘Het is hier stil. Er ontploffen geen bommen.’ ‘De meisjes!’

Heel even zagen ze iets van Amsterdam, een groep Syrische vluchtelingen. Eerst nog naar Ter Apel – maar ze willen terug.

Syrische vluchtelingen Mouhammed Amro Jookhdar (links) en Shady Zenaldin, in een restaurant in Osdorp. Foto Pieterjan Luyten

De Syrische Mouhammed Amro Jookhdar (19, student communicatie media en IT) schiet in de lach bij de vraag wat hij vindt van de Hollandse keuken. Wat moet hij daar nou op antwoorden? Hij aarzelt, zoekt naar de juiste woorden. Dan: „De Syrische keuken is delicaat, het Nederlandse eten is... anders.” Anders? Ja: de dagelijkse pot in de Amsterdamse vluchtelingenopvang van het Caland Sportcentrum (Osdorp) is weinig gevarieerd. Wat heet: „Iedere dag macaroni.”

Maar niet vandaag. Op deze druilerige dinsdagmiddag neemt Jasmine Perez (32, dj), werkzaam als vrijwilligster op één van de vijf tijdelijke Amsterdamse opvangplekken, een groepje Syriërs mee naar het Turkse restaurant Leziz, dichtbij het Caland.

Jookhdar en tafelgenoot Shady Zenaldin (27, architect) arriveerden een week geleden in Amsterdam en slapen sindsdien op veldbedjes in een zaal met 250 andere mensen. De mannen zijn, net als vele andere migranten – voornamelijk Syriërs, maar ook Eritreeërs, Bengalezen en Albanezen – op doorreis naar het aanmeldpunt van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers in Ter Apel. Omdat ze daar moeite hebben met het verwerken van de grote aantallen vluchtelingen – in de zomermaanden klopten wekelijks 1.500 mensen aan, inmiddels zijn dat er 600 à 700 per dag – verblijven ze tijdelijk in de Amsterdamse opvang.

Jookhdar en Zenaldin ontvluchtten Syrië omdat ze niet in het Syrische leger willen dienen. Ze zeggen dat het land geen toekomst heeft. Zenaldin: „Ik wil niet sterven voor een regime waar ik niet achter sta.” Joohkdar: „Ja, ze zeggen dat je anderhalf jaar dient in het leger, maar soms zit je er na vijf jaar nog steeds.”

Hun reisroutes waren identiek. Van Syrië naar Libanon, Turkije („met een bootje naar Kos”), Thessaloniki, lopend naar Macedonië, Servië, Hongarije, Oostenrijk, om daarvandaan met de internationale trein via Duitsland naar Amsterdam te reizen. Zenaldin: „Mijn vrienden gingen naar Duitsland en Zweden, maar ik wilde naar Amsterdam. De mensen zijn hier ruimdenkend.” De reis was „één groot avontuur” zegt Jookhdar, die zijn ouders wijsmaakte dat hij in hotels overnachtte, terwijl hij in werkelijkheid regelmatig op straat sliep.

Dat op straat slapen hoeft niet meer. Wel moeten ze morgen verhuizen naar de opvang in Zuidoost, omdat er in de Calandhal weer gesport gaat worden. Voor de mannen is Amsterdam een „droomstad”, die ze de afgelopen week een beetje hebben leren kennen. Ze hopen na zich te hebben aangemeld in Ter Apel snel naar Amsterdam terug te keren.

Met het thuisfront houden ze telefonisch contact. Wat ze hun familie vertellen over Amsterdam? Joohkdar: „Dat het hier heel schoon is op straat.” Zenaldin: „En stil. Er ontploffen geen bommen.” En: „Ik vertel dat Amsterdammers behulpzaam zijn.” Jookhdar: „De meisjes!” Grijnzend pakt hij zijn iPhone erbij en swipet langs tientallen foto’s. Daar is ze: knappe Anouck van het Rode Kruis met blond haar en lichtblauwe ogen. Theatraal drukt de tiener het apparaat tegen zijn borstkas. Met een sip gezicht: „Ze heeft al een vriendje.”