Bedrijfsvoering gemeente had geen prioriteit

Gemeentelijke bedrijfsvoering is geen sexy onderwerp. Liever een theater redden dan investeren in ambtenaren.

Moest hij daar echt op antwoorden, vroeg voormalig gemeentesecretaris Erik Gerritsen woensdag aan de enquêtecommissie. Dit soort vragen, over het vertrek van een hooggeplaatste ambtenaar, zijn toch nogal persoonlijk? „Wij bepalen hier wat we van u willen weten”, kaatste enquêtevoorzitter Marijke Shashavari terug.

De raadsenquête naar ‘de financiële functie van Amsterdam’ onderzoekt het systeem van de financiële organisatie van de gemeente. Technische kwesties. Maar het gaat bij een enquête altijd over mensen. En vooral: wie is of was waarvoor verantwoordelijk?

Deze week verschenen twee zeer verantwoordelijke ambtenaren voor de commissie. Erik Gerritsen, gemeentesecretaris van 2000-2007 en Cees Veerman, directeur financiën tussen 2002 en 2005. In eerdere verhoren hadden bestuurders en ambtenaren al gewezen op het abrupte vertrek van Veerman in 2005 als een sleutelmoment. Met hem was een reeks inhoudelijk sterke directeuren gestopt en begon het tijdperk van degenen die, grof gezegd, meer verstand hadden van leidinggeven dan van financiën. Vanaf die tijd, zeiden sommigen, waren gezag en kwaliteit van de afdeling financiën op het stadhuis getaand. Misschien was dat de reden van verschillende blunders bij de dienst in de afgelopen jaren.

Veerman kreeg bij zijn ontslag als reden te horen dat financiën te veel op hem dreef, zei hij in het verhoor. In de wandelgangen had hij al opgevangen dat een aantal mensen hem weg wilde hebben. Hem en Hans Moor, een eerdere directeur financiën, en tevens geprezen om zijn kunde.

Gerritsen bezwoer dat het ontslag van Veerman niet het gevolg was van een machtsstrijd tussen financiën en andere diensten, zoals ook eerder gesuggereerd. „Het is nooit over macht gegaan. Ik vind dat directie financiën hartstikke machtig moet zijn.” Maar Veerman zei dat het woord ‘macht’ wel degelijk was gevallen in functioneringsgesprekken. „Ik heb dat nooit begrepen. Ik had geen macht. Als je goede argumenten hebt, heb je gezag.”

Volgens Gerritsen was Veerman onderdeel van de ondoorzichtige cultuur die bij financiën heerste. Die kwam er volgens hem op neer dat er bij besprekingen in het stadsbestuur altijd een moment kwam waarop de wethouder financiën en zijn directeur zich even terugtrokken voor overleg, om bij terugkomst met nieuwe cijfers aan te tonen waarom een bepaald verzoek niet kon worden ingewilligd. „Dat irriteerde de andere wethouders.” Veerman: „Het idee dat financiën achterbaks opereerde, daar heb ik me altijd vreselijk aan gestoord.”

Gerritsen kwam met een inzicht dat wel eens belangrijker kan zijn dan de veelbesproken zogenoemde directeurencarrousel: bedrijfsvoering is voor vrijwel niemand in de gemeentelijke organisatie een belangrijk onderwerp – behalve als er iets misgaat. Ook in andere verhoren kwam dat naar voren. Als de politiek er geen aandacht voor heeft, heeft het college dat ook niet, en dan hebben ambtenaren dat ook niet. En welke politicus heeft nou ‘solide bedrijfsvoering’ als ideaal? Gerritsen: „De keuze tussen het in stand houden van een theater of meer geld voor het ambtenarenapparaat, is voor een politicus snel gemaakt.” Terwijl investeringen in bedrijfsvoering zich altijd terugverdienen, benadrukte hij, doordat beleid in een gesmeerde organisatie beter wordt uitgevoerd.

Maar dat lijkt voor weinigen een politieke prioriteit. Oud-wethouder Frits Huffnagel verwoordde het zo: „Als Theo van Gogh vermoord wordt, ben je met heel andere dingen bezig.”

    • Mirjam Remie
    • Bas Blokker