Vrouwenbesnijdenis voorkomen? Groepsdruk heeft niet veel effect

Ook onbesneden vrouwen in Soedan worden geaccepteerd als huwelijkspartner. Tijd voor ander soort campagnes.

De strategie van ontwikkelingsorganisaties om een einde te maken aan vrouwenbesnijdenis is mogelijk gebaseerd op een ondeugdelijke theorie. De opvatting dat als maar voldoende families de praktijk opgeven de hele gemeenschap omgaat, klopt niet, blijkt uit veldonderzoek in Soedan. De resultaten staan vandaag in het wetenschappelijke blad Science.

Bij vrouwenbesnijdenis worden de uitwendige geslachtsorganen (clitoris, schaamlippen) verwijderd of verminkt. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie leidt deze praktijk tot ernstige gezondheidsproblemen.

Onder sociale wetenschappers loopt een debat over de vraag wat mensen drijft om hun dochters zo te verminken. Een gangbare theorie is dat vrouwenbesnijdenis een ‘sociale afstemmingsnorm’ is bij de voorbereiding van meisjes op een huwelijk. Als dochters kinderen krijgen, draagt dit bij aan het prestige van hun ouders en de spreiding van risico door allianties via huwelijksbanden. Als besnijdenis daarvoor de prijs is, wordt die betaald.

Volgens de speltheorie hebben alle partijen er baat bij om hun strategieën onderling af te stemmen. Daarbij zou een kritische grens bestaan. Als het percentage families dat zijn dochters laat besnijden, en dat besneden meisjes eist voor zijn zonen, boven die drempel ligt, hebben alle families een prikkel om het gebruik in stand te houden. Ligt dit percentage onder die drempel, dan kunnen ouders ook een man vinden voor hun dochter – en profiteren van de voordelen van zo’n verbintenis – zonder de prijs van gezondheidsverlies door besnijdenis.

Zodra ontwikkelingswerkers in een dorp voldoende families zouden weten te overtuigen om besnijdenis af te zweren, zou de praktijk vanzelf verdwijnen.

Charles Efferson, onderzoeker aan de Universiteit van Zürich, heeft deze theorie getoetst in het Afrikaanse Soedan. Samen met vier collega’s verzamelde hij gegevens in 45 gemeenschappen in de deelstaat Gezira. Gezien de grote kans dat ouders alleen sociaal gewenste antwoorden geven, gebruikten de onderzoekers een discrete inspectie.

In Gezira worden meisjes besneden tijdens de zomervakantie, net voor ze naar school gaan. Nadat ze zijn besneden worden hun voeten ingewreven met henna; en dat is de enige keer dat dit gebeurt. Het rode spul blijft een paar weken zitten en de onderzoekers keken of er hennaresten op teennagels zaten. Ter controle vroegen artsen bij het medische onderzoek van aankomende leerlingen of ze al ‘gezuiverd’ waren, waarbij ze het Arabische woord gebruikten voor besnijdenis. Als het antwoord ‘ja’ was én er zat henna op de nagels, dan werd een meisje geboekt als besneden.

Wat bleek? De percentages besneden meisjes verschilden per dorp, maar bijna nergens waren ze extreem hoog of extreem laag. En in rangorde geplaatst vertoonden de percentages geen discontinuïteit waaruit zou blijken dat gemeenschappen zich hadden verenigd op óf wel óf niet besnijden. Kortom, geen spoor van afstemming.

Veel families zeiden dat zij geen huwelijken met andere families in het dorp zouden weigeren op basis van wel of geen besnijdenis van het meisje. Overwegingen om het wél te doen varieerden sterk: van een religieuze verplichting, een criterium voor vrouwelijkheid, tot een blijk van seksuele trouw. Conclusie van de onderzoekers: het bestaan van een kritische drempel is onwaarschijnlijk en campagnes moeten worden aangepast.