Over mode heeft iedereen een mening

Er is dit najaar alom mode te zien in de musea. Daarmee hopen ze een breed publiek te trekken. „Jonger en actiever op sociale media.”

Tijdelijk Modemuseum in Het Nieuwe Instituut in Rotterdam Foto Johannes Schwartz

Het nieuwe modeseizoen is gestart. Ook in de musea – en hoe. Nederlandse musea zijn al jaren dol op modetentoonstellingen, maar dit najaar zijn er meer dan ooit: maar liefst acht Nederlandse musea komen met een nieuwe expositie die zich bezighoudt met mode en/of kleding. En dan hebben de Kunsthal, het Groninger Museum, Boijmans Van Beuningen en het Centraal Museum, musea die geregeld aan mode doen, niet eens een mode-expositie. De twee grootste zijn al open: het Tijdelijk Modemuseum in Het Nieuwe Instituut in Rotterdam en Ode aan de Nederlandse mode, in het Gemeentemuseum in Den Haag.

Het is geen toeval dat de Nederlandse musea zich zo enthousiast op mode storten: bij de meeste musea die mode brengen, horen de modetentoonstellingen tot de best bezochte. De rondreizende tentoonstelling rond Jean Paul Gaultier, die in 2013 bij de Kunsthal te zien was, was zelfs de allerbest bezochte tentoonstelling in tien jaar bij het museum: binnen dertien weken kwamen er 170.000 mensen op af. Bijkomend voordeel is dat op mode een wat ander publiek dan het traditionele museumpubliek afkomt. „Wat jonger, en ook actiever op sociale media”, zegt Marita Smit van de afdeling marketing en communicatie van het Gemeentemuseum.

Waarom zijn Nederlanders, die niet echt bekendstaan als grootverbruikers van designermode, zo dol op mode in het museum? Het kan iets te maken hebben met de Nederlandse traditie mode vooral als een vorm van toegepaste kunst te zien. Het is niet voor niets dat beginnende ontwerpers in Nederland vooral met kunstsubsidies worden ondersteund. Mode in een museum geeft ook een prettige afstand: je kunt ervan genieten, maar hoeft het zelf niet aan. Tegelijkertijd is mode laagdrempelig. „Bij beeldende kunst kunnen mensen nog wel eens bang zijn dat ze het niet snappen”, zegt Ninke Bloemberg, modeconservator van het Centraal Museum. „Over mode heeft iedereen een mening.”

Bloemberg zegt blij te zijn met het grote aantal modetentoonstellingen: het zorgt er volgens haar voor dat mode als discipline steeds serieuzer wordt genomen. Maar er kleeft ook een gevaar aan. In de woorden van Guus Beumer, directeur van Het Nieuwe Instituut: „Musea zijn steeds verder aan het commercialiseren, en mode speelt daarbij een centrale rol. Elk museum gooit er mode tegenaan om publiek binnen te krijgen.” En in de gretigheid ‘iets met mode’ te doen, lijken musea soms net iets te snel tevreden.

In het Rijksmuseum staat nu een opstelling met gebloemde jurken uit eigen collectie. Daaraan is een couturejurk van de Nederlandse ontwerper Edwin Oudshoorn toegevoegd als moderne variant. Een mooie, knap gemaakte jurk, maar met moderne mode heeft het couturestuk in klassieke stijl weinig te maken. Waarom heeft het museum er niet voor gezorgd dat er een echt vernieuwende bloemenjurk te zien is? Of tenminste een kledingstuk dat iets zegt over hoe bloemdessins nu worden gedragen?

De Haagse ontwerper Peter George d’Angelino Tap heeft voor Panorama Mesdag jurken gemaakt die zijn gebaseerd op het werk van Mesdag en dat van Van Gogh. D’Angelino Tap kwam zelf met het voorstel. Een paar ontwerpen zijn al gefotografeerd: zeer theatrale jurken van bewerkelijke materialen. Veel bezoekers zullen ze vast prachtig vinden. Maar wat zeggen ze over Mesdag en Van Gogh, en belangrijker, over de mode? Of zoals Guus Beumer twee weken geleden zei: de inzet van de meeste musea is „een overweldigende esthetiek te introduceren, waarbij de kijken niets anders rest dan ‘oh en ah’ te roepen”.

Nu is er op zich natuurlijk niks mis met een esthetische museumbeleving – mits die relevantie heeft. Met name het Gemeentemuseum, dat elk najaar een modetentoonstelling brengt, is gespecialiseerd in exposities die daarin voorzien. Die tentoonstellingen worden de laatste jaren gemaakt volgens een vrij vast stramien. Er is een overkoepelend thema, en een indeling per stijl. De nadruk ligt op bewerkelijke en feestelijke mode, die staat opgesteld in sfeervolle decors van Maarten Spruyt, die hele muren en vloeren inzet om de kleding in een context te plaatsen. Het is een opzet die keer op keer weer warme, aantrekkelijke en toegankelijke, zij het niet heel uitdagende exposities oplevert.

Ode aan de Nederlandse mode is een van de geslaagdste voorbeelden ervan. Zaal na zaal staan opvallende ontwerpen van Nederlanders door elkaar. Er is een zaal met zwart-witte mode, een uitbundige zaal vol kleur, er is conceptuele mode en optimistisch futurisme. De expositie geeft niet zozeer een beeld van wat Nederlanders hebben gedragen en dragen, als wel waartoe Nederlandse ontwerpers in staat zijn. Doordat ontwerpers uit verschillende generaties door elkaar staan, kun je de dwarsverbanden in stijl goed zien. Topstuk is Jan Taminiaus inhuldigingsjurk voor Máxima, die prettig low key is opgesteld in een zaal vol blauwe Nederlandse ontwerpen. De jurk is zo meer dan een vergaapstuk: het is ook een kledingstuk dat past in een traditie veel blauw te gebruiken.

Maar mode is natuurlijk niet alleen bijzondere kleding en ontwerptraditie. Het is ook een industrie, een taal, een houding. Het zijn aspecten die niet vaak aan bod komen in musea, maar in Het Nieuwe Instituut komen ze uitgebreid aan de orde. Het Tijdelijk Modemuseum, door Beumer zelf samengesteld, is meer dan een tentoonstelling: het hele gebouw staat in het teken van mode. Deels is het ingericht als een warenhuis: je komt binnen via een fictieve parfumafdeling waar een speciaal voor de expositie gecreëerde geur hangt. Je kunt er niet alleen kijken, maar ook voelen, passen en zelfs winkelen. Er is een kast met pumps in alle maten, ook die van kinderen en mannen. Er is een stoffenwinkel en een boetiek met vintage kleding.

In een expositietje over Nederlandse mode wordt nu eens niet „de geschiedenis van Dik Holthaus tot Viktor & Rolf” (Beumer) verteld, maar worden zes Nederlandse fenomenen uitgelicht die de internationale mode hebben beïnvloed. Zo zouden de witte fietsen en kleding van Provo de inspiratie zijn geweest voor de huisstijl van Maison Martin Margiela, en de Nederlandse keten Mac & Maggie zou het voorbeeld zijn geweest voor H&M. Er valt best iets op af te dingen, maar prikkelend is het wel.

Aardig is ook dat er aandacht is voor de minder fraaie kant van mode. Op de bovenste verdieping van het gebouw wordt verteld over de verspilling en de lage prijzen in de hedendaagse confectie-industrie, en maakt modeontwerper Conny Groenewegen monumentale kleden van afgedankte fleecetruien die vanaf het balkon steeds dieper het museum in komen.

Het ‘oh en ah’ is overigens ook in Het Nieuwe Instituut niet vergeten. Het heeft zo’n 600 van de 1.700 kostbare haute-coutureoutfits geleend die de Zwitserse Eva Maria Hatschek (1924-2010) voor zichzelf liet maken. Een klein gedeelte hangt in stellingkasten. De rest ligt in dozen die op verzoek geopend worden; aanraken mag.

Het Tijdelijk Modemuseum is niet perfect: sommige opstellingen zijn net te groot of te klein, sommige dingen blijven een beetje te vaag. Maar het laat wel zien dat er in musea meer met mode kan dan vaak wordt gedacht. Het is te hopen dat het inspirerend werkt.

    • Milou van Rossum