Column

Kinderliefde

‘Wat weet jij nog van het kinderziekenhuis in Utrecht?”, vroeg ik mijn dochter. Ruim dertig jaar geleden werd ze daar geopereerd. „Niet veel”, zei ze. Na enig nadenken: „Dat een zuster me een boterham met een dikke laag pindakaas gaf, dat ik die niet lustte en dat ze me niets anders wilde geven. En dat jullie een keertje niet op bezoek konden komen en dat toen de vader van een kindje naast mij medelijden kreeg en boter-kaas-en-eieren met me ging spelen.”

Ik noteerde het met begrip; de mens onthoudt zijn tegenspoed nu eenmaal beter dan zijn voorspoed. Ik had ernaar gevraagd omdat ik naar het Amsterdamse Stadsarchief wilde, waar een tentoonstelling loopt (tot 15 november) over het Emma Kinderziekenhuis in Amsterdam: Tussen ziek en beter. Dat ziekenhuis, nu gevestigd in het AMC, bestaat dit jaar 150 jaar. De armenarts Samuel de Ranitz richtte het in 1865 op, speciaal voor kinderen uit arme milieus.

Vooral over die kinderen, hun ouders, verplegers en artsen gaat deze tentoonstelling. Bij de ingang hangen vellen papier waarop bezoekers hun eigen ziekenhuiservaringen kunnen opschrijven. Een man herinnert zich dat hij met zijn bedje na de operatie in een soort bezemkast werd geparkeerd: „Het was mijn eerste trauma, maar het is na 60 jaar wel geheeld.”

De (onbedoelde) suggestie van harteloosheid die uit zulke selectieve herinneringen spreekt, wordt weerlegd door andere reacties. Mariëtte was van 1979 tot 1982 verpleegster in het Emma. Zij schrijft: „Een paar jaar geleden kwam ik een moeder tegen van een baby uit het Emma. Haar kind was helemaal gezond na vele chemo’s en was inmiddels 35 jaar. Dat was een bijzonder moment.”

John Tol, overlevende van de brand in het Hemeltje in Volendam, schrijft in Ons Amsterdam: „Ik worstelde me door die afschuwelijke periode heen, op sleeptouw genomen door verpleegkundigen, artsen en assistenten. Diep respect voor die mensen, wat die tegenkomen aan enge ziektes, dood en verderf!”

De tentoonstelling laat overtuigend zien met hoeveel toewijding en kunde vanaf 1865 geprobeerd werd het lot van vaak doodzieke kinderen te verbeteren. Dat kon, zeker in het begin, lang niet altijd lukken.

Neem de zusjes Sophia en Hendrika die aan cholera leden en niet in het ziekenhuis mochten blijven, omdat ze er andere kinderen konden infecteren. Ze gingen naar huis terug, hun broer Simon leegde hun emmers. Ze stierven enkele dagen later, Simon meldde het bij de burgerlijke stand (het register met zijn handtekening ligt erbij), voelde zich ziek, bleek ook besmet en stierf kort daarna.

Het waren de treurige jaren van vreselijke ziektes – cholera, difterie, tuberculose – waar aanvankelijk nauwelijks verweer tegen mogelijk was. Er werd aan symptoombestrijding gedaan, over de oorzaken was nog onvoldoende bekend. In 1848 stierven alleen al in Amsterdam 2.300 mensen aan cholera.

Nog tot in de jaren vijftig werden ook kinderen voor tuberculose in sanatoria verpleegd, hoewel dat niet hielp. Hugo verbleef in 1949 als tuberculosepatiëntje een jaar lang in het Emma. Hij vond het er niet leuk, „alleen zuster Van den Dungen was leuk”. Zijn moeder schreef hem ansichtkaartjes („dag, lieve snoet”), zijn broer stelde Paulus de Boskabouter-boekjes voor hem samen.

Eigenlijk gaat die tentoonstelling over kinderliefde.