‘In iedere man zit een eenzame cowboy, dat is gewoon zo’

J. Kessels, de film naar de roman van P.F. Thomése, opende gisteren de 35ste editie van het Nederlands Film Festival. Eigenlijk brak de no-nonsenseacteur Frank Lammers dit jaar pas echt goed door. „Zo’n Daniel Day-Lewis kan ik echt niet aanzien.”

Foto

Het zou een jubeljaar moeten zijn voor Frank Lammers. Drie grote rollen in drie geslaagde films. In Onder het hart als broer en toeverlaat van Kim van Kooten, als de titelheld in Michiel de Ruyter, en als mopperkont J. Kessels in de gelijknamige komische roadmovie die in Utrecht het Nederlands Film Festival opende.

En hij regisseerde een film, Of ik gek ben. En hij werd een echte BN’er door zijn reclamespotjes als Jumbo Man. Rollen die elkaar niet beten: vooraf bestond de vrees dat Nederland bij De Ruyter zou denken: verrek, Jumbo Man! Lammers: „Ik was ijdel genoeg om te denken: volgens mij liggen ze in elkaars verlengde. Sterker nog: zonder De Ruyter had ik Jumbo Man niet gedaan. Held en antiheld, maar allebei vaders.”

En dus was hij opeens „wereldberoemd in Nederland”. „Ik vind het niet erg als Jumbo Man te worden aangesproken, daar word ik goed voor betaald”, zegt de 43-jarige acteur in het Amsterdamse Grand Café Frankendael. „Mijn gezin heeft er soms wel tabak van, maar het geeft mij de vrijheid om soms nee te zeggen. Het voelt ook neerbuigend tegen mijn vader om het niet te doen. Hij heeft te lang op de steiger gestaan.”

Lammers is net terug uit zijn geboortedorp Mierlo, waar zijn vader opklom van bouwvakker tot wethouder. Vorige week overleed zijn moeder. „Ik kan dus moeilijk zeggen dat dit zo’n geweldig jaar is. Vreselijk om je vader aan de keukentafel achter te laten. Maar ja.”

Frank Albertus Petrus Maria Lammers is een hardwerkend acteur. Een Brabantse jongen die naar Amsterdam trok, studeerde aan de Toneelacademie en sindsdien in 69 films, korte films en tv-series stond, plus talloze toneelstukken. Al is hij even klaar met toneel. „Te vaak in Venlo of Winschoten gestaan voor tachtig man. De toneelregisseurs die ik interessant vind, zijn dood of naar het buitenland.”

Een uitgesproken man, die je vaak in opvallende bijrollen tegenkomt: zijn hoofdrol als taxichauffeur Dennis in Nachtrit bezorgde hem in 2006 een Gouden Kalf. Vaak speelt hij goedhartige rouwdouwers, type Berrie in voetbalkomedie All Stars. Niet direct een leading man, wat ook ligt aan zijn Bourgondische postuur, ronde hoofd met gulle lippen. En zijn nasale stem die sonoor, brommerig of snerend à la Maarten van Rossem kan klinken – ook als stemacteur is hij in trek. „Ik ben best blij met de breedte van mijn spectrum”, zegt hij. „Ik kan ook een sullige leraar of een Servische oorlogsmisdadiger spelen.”

Vanavond gaat in Utrecht de sneue mannenkomedie J. Kessels in première, naar de roman van P.F. Thomése. Over de kettingrokende mopperpot J. Kessels die met de schrijver in een Toyota Kamikaze onder droefgeestige wolken naar Hamburg rijdt, „waar zelfdestructie een grondrecht is” om een frikadellenmaker te zoeken die ervandoor ging met het geld van Brigitte. Of wel BB’tje van de snackbar, wier ronde achterwerk ooit de focus was van de seksuele verlangens en trauma’s van de jonge Thomése.

J.Kessels is een echte mannenfilm...

„Nee dat mag ik beslist niet bevestigen van de distributeur! Maar inderdaad, het gaat over bier en frikadellen en hoeren en vriendschap en verlangen. Misschien is het voor vrouwen interessant te zien dat mannen eenzame cowboys en bange kinderen zijn. Want dat is toch zo?

J. Kessels is gebaseerd op de columnist Jos Kessels met wie J.F. Thomése bevriend raakte toen hij journalist was. Kessels en ik gaan ook ver terug: van mijn 12de tot mijn zeventiende bracht ik het Eindhovens Dagblad rond en stond ik op met zijn columns. Kessels vond bijna alles flauwekul: een narrig kluizenaarstype. Mijn moeder moest altijd erg om hem lachen.”

Ik las dat je twaalf kilo afviel voor deze rol. Waarom? Kessels leeft op bier en frikadellen.

„Nou, twaalf kilo ... Erik de Bruyn zag zo’n Matthew McConaughey-truc voor zich, die graatmager een Oscar won. Dertig kilo eraf had hij best leuk gevonden, maar ik miste de motivatie omdat ik betwijfelde of het die rol zou helpen. Je krijgt dan iets meer van: zo zo, die Frank Lammers ziet af zeg! Big deal. ‘Try acting’, zou Laurence Olivier zeggen.”

Drie pakken sigaretten per dag roken tijdens de opnames is ook een soort prestatie.

„Ja, en het hielp me erg om te stoppen. Wekenlang met zo’n warme neus rondlopen, van binnen helemaal kapot gerookt. Zo’n gele teersnor. Als de sigaretten op zijn, kan je daar ’s nachts nog wat nicotine uit zuigen. De stank in de auto tijdens de opnames: onbeschrijfelijk. In die volle asbak op het dashboard legden we nog zo’n naar smeulend filtertje, en paffen maar.”

Helpt dat om je in een personage in te leven?

„Nee, ik geloof niet in method acting en helemaal niet in ‘in karakter blijven’. Dan sluit je je op in je eigen fantasie. Daniel Day-Lewis in There Will Be Blood kan ik niet aanzien: die speelt zijn eigen spelletje en de andere acteurs hebben daar zichtbaar hinder van. Een slechte acteur denkt: hoe speel ik een emotie? Een goede: wat bereik ik bij mijn tegenspeler?”

Wanneer huilde jij voor het laatst in de film?

„In Michiel de Ruyter. Daar maakte ik het mezelf gemakkelijk doordat mijn eigen dochter zijn dochter speelde. De Ruyter vertrekt en weet dat hij haar niet terugziet. Dan huil je, maar je wilt eigenlijk niet dat je dochter dat ziet. Kijk, zo wordt het interessant. Niet door research naar 17e-eeuwse zeebonken of het herbeleven van verdriet over je dode hondje.”

Er spelen nu nogal wat films in Brabant, is er een soort Brabantse golf?

„Het is meer zo dat ze je daar nog graag zien komen. Bij Onder het hart was er een echt gevecht tussen Den Bosch en Breda over wie de film mocht hebben. Breda ontving ons met een buffet. Hier in Amsterdam draaide ik een dag en flikkerden buurtbewoners de pylonnen waarmee de straat was afgezet in de gracht. Hadden ze geen zin in. Film maken is duur, je hebt wel wat medewerking nodig.”

Je regisseerde een film met Brabants geld. Ving je bot bij het Filmfonds?

„Vreselijk wat je daar te horen krijgt. In mijn script schiet iemand een pistool af. Krijg ik de vraag: maar waar komt dat pistool vandaan? In een droomscène! Dat niveau: dramaturgie van de jaren zestig. Ze vertrouwen filmmakers niet en maken louter veilige keuzes. Belastinggeld correct besteed, resultaat middelmatige rommel.”

Een Brabander doet het gewoon zelf?

„Ooit maakte ik een serie over waarom Brabanders zoveel beter zijn: we hadden veel olympische medailles behaald. De grote filosoof F. Bauer zei: ‘Het is makkelijk: we doen niet zo moeilijk.’ Boven de rivieren is het altijd: nee, want... Een Brabander zegt altijd ja, en ziet verder wel. Die nonchalance heb ik ook.”

    • Coen van Zwol