‘In de muziek kun je steeds nieuwe talen uitvinden’

Volgens velen is George Benjamin de grootste componist van onze tijd. Het Concertgebouworkest brengt morgen de wereldpremière van zijn nieuwe werk ‘Dream of the Song’.

George Benjamin in zijn Londense werkkamer Foto Matt Lloyd

Voor velen was de opera Written on Skin, in 2012 te zien bij De Nationale Opera, een revelatie. Niet dat het verhaal – over de liefde tussen een troubadour en een getrouwde vrouw die na een heterdaadje haar minnaars hart krijgt voorgeschoteld – loutering bracht. Het was het geheel. Ongehoorde orkestrale kleuren die als exotische geuren de zintuigen spitsten. Zo kon nieuwe opera dus ook zijn. Fijnzinnig, alle kieren perfectie ademend én in grenzeloze originaliteit betoverend. ‘Skin’ was zo’n opera die je na het vallen van het doek meteen nog een keer wilde zien. De eerste geniale opera van de 21ste eeuw.

De componist, George Benjamin, is in veel opzichten een buitenbeentje. Zijn werktempo (laag tot zeer laag), zijn onderwerpen (vaak historisch), zijn geluid (onmiskenbaar eigen, met Debussy en Messiaen in het DNA) – alles ademt een zorg, intelligentie en kalmte die losgezongen zijn van deze tijd, van hectiek, van modieus, in welk opzicht dan ook. Zijn muziek is ook lastig te etiketteren, al deed The New York Times met „francofiele poëtische modernist” een geslaagde poging.

Benjamin is op en top Brit, ook al studeerde hij al als briljante puber bij Olivier Messiaen in Parijs. Hij woont in Londen, in een jarendertigrijtjeshuis waarvan de shutters midden op de dag alle gesloten zijn. Binnen: een vleugel, schemerlampen en een grote tafel met de partituur van zijn jongste werk Dream of the Song. Benjamin drinkt kokoswater, want „dat is lekker en vast heel goed voor je”. Van de associatie met zonnebrand heeft hij geen last. Hij zont nooit. „Ik haat het strand.”

Wanneer zou hij ook moeten? Dertien maanden werkte Benjamin aan zijn werk voor het Concertgebouworkest, waarvan hij zelf morgen de wereldpremière dirigeert. Een werk voor het KCO wilde Benjamin „al vijftien jaar maken”, maar vorig jaar was er pas tijd. In januari was het af. „Nu ga ik Dream of the Song eindelijk horen”, zegt hij. „Een wonderful pleasure, maar ik heb in mijn hoofd een behoorlijk goede voorstelling van wat het wordt, hoor. De belangrijkste les die Messiaen me leerde was: il faut entendre. Je moet leren met grootste precisie te onderscheiden wat je in je hoofd precies hoort, en dat dan opschrijven.”

Schoonheid en dood

Benjamin – bleek, klein, open blik – is iemand bij wie een bedachtzaam betoog soms abrupt overgaat in gegrinnik. Bijvoorbeeld als zich onverhoopt een woordspeling aandient („I have written Written on Skin….”). Over de thematiek van Dream of the Song wil hij liefst niet te veel uitweiden. Of, als het moet, in niet té persoonlijke termen. „Schoonheid, natuur, liefde, sterfelijkheid... Ik ben 55. Dan wordt de dood een aanwezigheid waartoe je je moet verhouden. Heb ik er vrede mee? Als concept: ja. Slapen is mooi. Lang slapen hopelijk ook.” En Benjamin heeft de troost van de muziek, zegt hij. „Wanneer je zelf wezenlijk door muziek aangeraakt bent, kun je er droevig van worden dat klassieke muziek die bijna religieuze functie maar voor zo weinig mensen vervult. Maar goed, anderen hebben weer andere dingen. Gezinnen. Sport.”

Dream of the Song is een gevarieerde orkestliedcyclus op in het Engels vertaalde, elfde-eeuwse Hebreeuwse poëzie. „De aanleiding was een bezoek aan Granada, een van de mooiste steden ter wereld”, vertelt hij. „Wat me fascineerde was de confrontatie met een beschaving die zeer verfijnd was – maar die niet meer bestaat. Alexander Goehr, mijn oud-leraar aan Cambridge, wees me op door Peter Cole vertaalde bundels Hebreeuwse poëzie uit Islamitisch en Christelijk Spanje van tussen circa 1000 en 1500. Ik koos gedichten van Samuel HaNagid en Solomon Ibn Gabirol. Hun teksten brachten mijn verbeelding op gang én ze verschillen onderling sterk van toon en sfeer. Afwisseling en samenhang – net wat ik zocht. De lamentaties van het vrouwenkoor, op teksten van Federico García Lorca, contrasteren weer met die solopassages.”

Voor Benjamin zijn „perfecte geschiktheid” van tekst en onderwerp strikte voorwaarden. „Anders komt er niks”, zegt hij – met zwarte gaten in zijn werkenlijst als getuigen. Componeren doet hij op de ouderwetse manier: uit het hoofd, met pen op papier en slechts soms hulp van de vleugel. Bijna onvoorstelbaar is dat, als je zijn partituur (duur: ca. 22 minuten) bekijkt en ziet hoe hecht het weefsel is van noten die in elkaar grijpen. Benjamin bladert door zijn partituur. „Muzikaal voorstellingsvermogen is niet alleen fantasie, het is ook klank en kennis”, zegt hij. „Er gaan in zestig seconden talloze gedachten door mijn hoofd en er zijn zeer veel redenen voor elke noot, maar ze landen allemaal in een wereld van regels. Juist frictie tussen techniek en emotie levert een interessant soort expressie op.”

Hoe dat klinkt? Zinnenprikkelend. Virtuoos (vooral in het deeltje The Pen, waarin de melodielijn op Arabische kalligrafeerkunst werd geïnspireerd). Niet tonaal, niet atonaal, wel warm en veellagig. „Vooropgesteld: er is niet één muzikale taal die het alleenrecht heeft op menselijke waardering. Overal ter wereld hebben culturen eigen muzikale talen, en je kunt steeds nieuwe uitvinden. In mijn muziek kom ik niet in de buurt van onze klassieke tonale toonsoorten. Ik schrijf lagen van lijnen die harmonieën veroorzaken, wat wezenlijk anders is dan de seriële muziek, waar melodie voortkomt uit harmonie. In mijn muziek zijn alle lijnen losse werelden die samen één geheel vormen. Dat te bereiken is overigens zeer complex. Noten kunnen namelijk niet zomaar naast andere noten staan, alles hangt samen. De ene noot met de andere, maar ook met de honderd noten ervoor en erna – diagonaal, verticaal en horizontaal. Mijn muziek schiet geen wortel, vijf harmonieën kunnen gelijktijdig naast elkaar bestaan. Maar ik vermijd welluidendheid zeker niet. Harmonieën zijn voor mij als smaken; je hebt kruidige, zoete, bittere, lichte, vette, wrange. Alle mogen er zijn. Uiteindelijk maak ik de muziek die ik zelf wil horen – en uitvoeren.”

Donker goud

Voor Written on Skin, zijn grootste succes tot nu toe, zocht Benjamin bewust naar een goede countertenor. „De opera vertelt een liefdesgeschiedenis, maar de gebruikelijke combinatie van sopraan met tenor vond ik te ouderwets. Countertenor en sopraan zijn allebei hoge stemmen, ze bewegen zich door elkaars vaarwater. Het effect daarvan vond ik intrigerend en erotisch.”

De countertenor die Written on Skin mede tot zo’n wereldsucces maakte, was Bejun Mehta. Benjamin omschrijft zijn timbre met een dromerige blik als „donker goud”. „Maar de bekoring zit hem ook in zijn présence – die is krachtig, en een beetje hypnotiserend.”

En dus wilde hij graag opnieuw iets voor Mehta schrijven. „Een stuk voor vrouwenkoor en countertenor was er nog niet, en de mix van die twee kleuren met het kamermuzikale geluid van het Concertgebouworkest leek me aantrekkelijk. Ook wierp de combinatie beperkingen op. Daar houd ik van, want dat maakt het componeren iets makkelijker.”

In dit geval waren de beperkingen voor Benjamin zelf „evident”, maar voor de argeloze toeschouwer is de orkestratie van Dream of the Song opmerkelijk: strijkers, twee percussionisten, twee harpen, vier hoorns, twee hobo’s. „En geen klarinetten of fluiten, nee”, zegt Benjamin met vertrokken gezicht. „Terwijl die, juist in het Concertgebouworkest, tot de mooiste ter wereld behoren. Dat ik er toch voor kies ze niet te laten spelen, veroorzaakte twee jaar lang schuldgevoel. Maar ze mengen te goed met het geluid van het koor en de solist. Terwijl hobo’s een azijnigheid hebben die effectvol tegen de stemmen in werkt.”

Voor Benjamin is het dirigeren van zijn werk nu sluitstuk van het proces én een welkome afwisseling, lacht hij. „Na maanden eenzaamheid weer even onder de mensen. Ik was pianist, maar daarin goed zijn en blijven kost uren per dag. Dirigeren gaat in minder.”

En volgende week – dan zit Benjamin hier gewoon weer in stilte aan zijn werktafel. Zijn nieuwe opera moet in 2018 in première gaan, vertelt hij. Opera is nu top priority – waarmee hij weer terug is bij zijn jeugd, waarin hij voortdurend fantaseerde over mogelijke muzikale verwezenlijkingen van zijn sprookjesboek. „Maar er is wel iets wezenlijks bijgekomen. Ik ben op latere leeftijd verliefd geworden op de menselijke stem.”