Hoezo oud, 50+? Ik zorg me suf!

Het beeld van vijftigplussers verdient bijstelling, betoogt Heleen Crul. Het zijn de uitzendkrachten van twee generaties.

Illustratie Hajo

Boven je vijftigste is je economische waarde ‘nul’, zo verkondigde onlangs een hoogleraar economie. En dat geldt vooral als je dan werkloos wordt of bent. Vijftigplussers worden op een hoop gegooid met zeventig- en tachtigjarigen.

Nooit eerder in de geschiedenis was ouder worden een probleem. Integendeel: je won aan respect, aan waarde voor de familie en de samenleving, want je had een aanzienlijke levenservaring opgedaan en ook veel te vertellen. Er was eerbied voor grijze haren.

Ondanks het feit dat we langer leven, vitaler en ondernemender zijn dan onze ouders en voorouders, zijn vijftigplussers aan een enorme inflatie onderhevig en min of meer ‘waardeloos’ geworden. Ze worden neergezet als graaiers, potverteerders, plucheplakkers, ongegeneerde genieters. Etiketjes die weinig waarheidsgehalte hebben. Want de realiteit laat heel wat anders zien. In feite zijn de meesten van ons een op afroep beschikbare uitzendkracht in dienst van twee generaties: onze hoogbejaarde ouders en de generatie van onze kinderen: de jonge ouders. De ene dag loop je achter een buggy met je kleinzoon, met in je tas een voorleesboekje en een schone luier. En een paar dagen duw je de rolstoel van je moeder, met in je tas een tijdschrift dat ze graag wilde hebben en een schone luier. Zowel de kleinzoon als je moeder willen een ijsje.

Het leven met vier generaties binnen de familie, zoals nu vaak gebeurt, is leerzaam. Binnen families is er doorgaans weinig mis wat betreft het contact tussen de generaties. Je vormt met elkaar een netwerk, de verschillende expertise van de leden draagt bij aan ieders overleving en kennis. Onze oudste kleinzoon wist op zijn twaalfde jaar al aanzienlijk meer van de iPhone dan ik. En nu, bijna zeventien, leidt hij mij nog steeds af en toe met veel geduld en begrip door het digitale tijdperk. Ik, op mijn beurt, help hem met zijn spreekbeurten. Zo zijn er ook tussen ons en de moeders en vaders van onze kleinkinderen, talloze voorbeelden van wederkerige, aanvullende hulp. Wat de een niet weet of kan, kan of weet de ander wel, en vice versa.

Maar de hulp aan onze hoogbejaarde ouders is vaak eenrichtingsverkeer en zwaar. Je blijft dat kind van die ouders maar de rollen zijn omgedraaid. Dat gegeven wordt nog versterkt doordat veel van die ouders niet meer naar een verpleeginrichting gaan, maar nog ‘goed genoeg zijn’ om thuis verzorgd te worden. En zeker bij een alleenstaande ouder is die zorg vaak marginaal en moeten de kinderen ‘dit maar aanvullen’. Want de kille boekhouders in Den Haag hebben het begrip ‘zorg’ geminimaliseerd, evenals de kostenplaatjes. Zorg is niet erg sexy, en de gemeenten zelf zijn nu opgezadeld met een complexe en tegelijkertijd ontoereikende zorgverdeling. De politiek verantwoordelijken vinden het kennelijk geen probleem dat er gaten vallen in de zorg voor uiteenlopende generaties. Gaten die grotendeels door het vangnet van de familie moeten worden gecompenseerd.

Maar los daarvan is het realistisch om de menselijke levensloop niet af te doen met het stempel ‘vijftigplussers’. Na de veertig zou de werkelijkheid om ons heen moeten bestaan uit drie generaties. Middelbaar ben je dan vanaf je 45ste tot je 60ste, medior tot je 75ste en senior daarboven. Met zo’n differentiatie maak je capaciteiten en potenties in iedere levensfase zichtbaarder, evenals de behoeften.

Als medior kun je geestelijk en lichamelijk doorgaans nog van alles, zowel binnen de familie als in de samenleving. In mijn omgeving zijn projecten op scholen waar medioren vertellen over vroeger en meegaan op schoolreisjes. Tegelijkertijd zijn er scholen voor voortgezet onderwijs die projecten organiseren voor hoog bejaarden: spelletjes met ze doen, voorlezen, karweitjes opknappen, enzovoort.

Waarom is er eigenlijk geen nationale week van de generaties met als motto: ‘Voor elkaar, door elkaar’? De kracht van de wederkerigheid bloeit binnen families, hun vrienden en in de straat bij de buren. Die kracht mag door een afstandelijke, louter economisch denkende overheid, die ons bij voorkeur in onze rol als consument ziet, wel wat minder vanzelfsprekend zijn. En wat meer waardering krijgen.

    • Heleen Crul