Het is geen kleurboek, daar hou ik niet van

Als klein meisje tekende Alice Hoogstad al op straten en muurtjes. Voor haar tekstloze ‘Monsterboek’ kreeg ze gisteravond het Gouden Penseel.

Bij de uitreiking van het Zilveren Penseel, dat ze deze zomer won, was ze niet. Ze was als genomineerde wel uitgenodigd, maar dacht: een prijs, ik? En toen ze het sms’je kreeg dat ze had gewonnen, dacht ze: ze hebben het verkeerde nummer ingetoetst.

Maar bij de uitreiking van het Gouden Penseel, de prijs voor het best geïllustreerde kinderboek, was ze gisteravond wel. En ze won.

Monsterboek van Alice Hoogstad is dit jaar het best geïllustreerde kinderboek van Nederland. En wacht, nu ze erover nadenkt: ze heeft eerder een keer een prijs gewonnen. Als meisje. Toen ze bij een wedstrijd achterstevoren op haar pony terecht was gekomen, moesten de mensen zo hard lachen dat iedereen vond dat ze een prijs had verdiend.

Datzelfde meisje, zou je kunnen zeggen, is de hoofdfiguur in Monsterboek, Alice Hoogstads eerste boek zonder tekst. En op de eerste pagina’s ook bijna zonder kleur. Behalve dan het meisje dat met kleurkrijtjes in de zak van haar jurkje door de stad loopt. Eerst tekent ze een lange, rode draad op de weg. Dan tekent ze monsters, die haar helpen met kleuren. Daarna beginnen ook andere kinderen mee te kleuren. En dan, als de hele stad is ingekleurd, zeggen de volwassenen tegen de kinderen dat ze die kleuren weg moeten schrobben.

Het boek begon als een herinnering, zegt Alice Hoogstad (57). „Ik had een gekke jeugd, bij ons thuis kon alles. Pony’s in de gang, palingen in de badkuip. Dat vond ik normaal, zoals alle kinderen hun jeugd normaal vinden. Onderweg naar school had ik altijd krijtjes bij me en tekende ik de stoep en de tuinmuurtjes vol. Die dan weer werden schoongemaakt. Of, dat gebeurde ook: dan kwamen er van die keurige dames op school, werd ik door de meester aan mijn oor uit de bank getrokken en moest ik na schooltijd helpen schoonpoetsen.”

En de monsters, waar komen die vandaan?

„In mijn fantasie ging wat ik tekende op de stoep en op die muurtjes altijd leven. Dus dat is wat je ziet. En het zijn dan misschien wel monsters, maar het zijn aardige, aaibare monsters. Net zoals het meisje eigenlijk niet recalcitrant is. Ze gaat haar eigen gang, maar dat doet ze bijna onbewust. Als de tuinmuurtjes de volgende dag weer schoon waren, dacht ik: jippie, ik kan opnieuw beginnen.”

Waarom heeft het boek geen tekst?

„Ik denk, als je met een kind kan kijken, kun je daarna met hem praten. Dus dit is een boek dat wil aanzetten tot het samen verzinnen van verhalen. Er is het verhaal over zwart-witdenken versus fantasie, dat is zeg maar het grote achtergrondverhaal. Maar als je langer kijkt, zie je meer verhalen. Het hondje dat op zoek is naar het poesje. En op een van de tekeningen ontbreekt dat poesje. Waarom, zal een kind vragen. En misschien ziet-ie dan dat het regent en bedenkt-ie dat poesjes niet van regen houden. De burgemeester en zijn hoed is een verhaal. De politieman en zijn scooter. Het is fijn als je steeds nieuwe dingen ziet als je een boek weer oppakt.”

U tekent al uw leven lang. Wat heeft dat u geleerd?

„Dat illustreren een vak is. Ik ben opgeleid als kunstenaar en zo tekende ik eerst ook. Het was meer kunst. Nu begrijp ik dat het gaat om een evenwicht, een smalle lijn tussen kunstig en tuttig. Want dat kan het worden als je te makkelijk illustreert. Je moet altijd verrassen. Altijd de verwondering opzoeken.”

Het is dus geen kleurboek?

„Oh nee, helemaal niet. Dan zou het verhaal verdwijnen. En ik hou niet van kleurboeken. Kinderen moeten niet binnen de lijntjes werken. Ze moeten zelf iets maken. Dat doet het meisje ook.”

Op de laatste tekening gaan de kinderen stiekem weer door. Dus?

„Je bedoelt of zij hebben gewonnen? Helaas, dat weten we niet. We weten niet wat er zou kunnen gaan gebeuren op de pagina daar weer na.”