De lange weg naar Rio van een berooid team

Morgen begint de ploeg van coach Robin van Galen aan de zware kwalificatie voor de Spelen van volgend jaar.

Waar ligt Rugby?

Nee, olympisch kampioen zal hij volgend jaar niet worden. Ook de ras-optimist Robin van Galen voorziet met de Nederlandse mannenploeg de komende jaren geen herhaling van zijn stunt met de waterpolovrouwen, in 2008 in Beijing. „Het zou al geweldig zijn als wij ons kwalificeren voor de Spelen van Rio, of die van Tokio in 2020.”

Want zo lang is de weg die Van Galen met zijn jonge ploeg (gemiddeld 23 jaar) denkt af te moeten afleggen. De bondscoach pikte de selectie twee jaar geleden op in de krochten van het Europese waterpolo – uitgekleed en berooid, want geld van sportkoepel NOC*NSF was er niet.

Maar klagen doet hij niet. Van Galen zet liever zijn schouders eronder. Het eerste doel is het halen van het EK, in januari in Belgrado: daarvoor moet Nederland vanaf morgen, op een kwalificatietoernooi in de Israëlische stad Netanya, afrekenen met Georgië en vervolgens met twee zwakkere broeders, Litouwen (zaterdag) en Israël (zondag). „Ik verwacht wel dat we ons kwalificeren.”

Stipje aan de horizon

Maar ook dan blijft Rio een stipje aan de horizon. Op dat EK, met zestien landen, moet Nederland bij de beste twaalf ploegen eindigen, waarna in april een olympisch kwalificatietoernooi volgt. „Om naar de Spelen te mogen moeten we linksom of rechtsom een keer van een land winnen dat beter is dan wij. Maar het is mogelijk. Deze ploeg is jong en wordt steeds beter. Bovendien verwacht niemand iets van ons. Dat geeft veel vrijheid.”

Eventuele olympische medailles liggen nog ver in de toekomst verscholen. „Twintig tot dertig jaar”, denkt Van Galen. „Dit is een lange-termijnproject. Wij hebben ons gecommitteerd aan Tokio 2020. Ik wil een fundament leggen voor toekomstige generaties.” Met weinig geld is dat lastig, maar de waterpoloërs blijken creatief. Van Galen schraapt zijn geld eigenhandig bij elkaar uit het bedrijfsleven, waar hij in de nasleep van zijn olympische succes met de vrouwen een stevige voet tussen de deur wist te krijgen. Met een paar ton per jaar kan de ploeg behoorlijk uit de voeten.

En om het ontwikkelingsproces van zijn selectie te versnellen stalde hij zoveel mogelijk van zijn internationals bij sterke buitenlandse clubs. Niet minder dan zes internationals staan onder contract bij clubs in Barcelona, terwijl Luuk Gielen uitkomt voor de Servische topclub Partizan Belgrado. „Ze spelen wekelijks op een hoog niveau. Je ziet dat ze fitter zijn, beter worden. Het is belangrijk ook op korte termijn resultaten te boeken.”

Al is het alleen maar om de jeugd te inspireren. Zoals de Nederlandse vrouwen inmiddels weer toonaangevend zijn in de waterpolowereld, met hun zilver op het WK, zo gold dat in een grijs verleden ook voor de mannen. In 1950 haalde Nederland zijn enige Europese titel. Jaren later volgde brons op de Spelen van 1976 in Montreal – in de decennia die volgden zakte de ploeg steeds verder weg.

Eén van de redenen was de sterk toegenomen concurrentie, als gevolg van de verbrokkeling van de Sovjet-Unie en waterpolobolwerk Joegoslavië. Op het WK in Kazan, afgelopen zomer, stonden Servië en Kroatië in de finale en eindigde Montenegro vijfde. „Vooral in Europa is de concurrentie moordend.”

Dat geldt des te meer nu een aantal mindere landen er niet voor schroomt zich te versterken met spelers uit de Balkan. Georgië, morgen het grootste obstakel op weg naar het EK in Belgrado, is één van die landen. „Georgië speelt met vier Kroaten en twee Serviërs. Het is oneerlijke concurrentie, maar we hebben er wel mee te maken.”

    • Rob Schoof