Zo voelt het als je broer een einde aan zijn leven maakt

Na de dood van Joost Zwagerman volgden de reacties van vrienden en deskundigen. Tamara Baars verloor haar broer die een einde aan zijn leven maakte. „Er laait een fel gif in me op als ik de woorden van die deskundigen lees.”

Illustratie Jenna Arts Illustratie Jenna Arts

Vrijdagochtend 9 mei 2008. De agent pakt mijn schouders vast en zegt: „Er is iets heel ergs gebeurd. Koen is overleden.” Per direct is mijn leven en dat van mijn ouders voor altijd anders. Wij zijn voortaan nabestaanden als gevolg van zelfdoding. Ik heb geen broer meer. Een deel van mijn geschiedenis is dood. Als ik later die dag zijn koude lijf identificeer, een lang en gespierd lichaam dat helemaal gaaf is, wil ik hem bij de verwarming leggen. Vlug, warm hem op, misschien bedenkt hij zich. Zo snel als die gedachte door mijn hoofd schiet, zo hard komt bij me binnen dat ik hier naar de dode verpakking van mijn broer sta te kijken. Voorzichtig raak ik zijn arm aan. Dit is dus een lijk. Nee, het is mijn broer. Mijn man houdt me vast terwijl we naar Koens bleekblauwe gezicht staren.

Een dag na Koens dood zijn we bij mijn ouders. Mijn moeder omhelst me en kijkt me aan met een gezicht dat ik bijna onherkenbaar vind, zo scherp staat de wanhoop erin gebeiteld. „Jij doet zoiets toch niet, hè?” vraagt ze me, net als de dag ervoor. Ik kom opnieuw niet verder dan: „Nee, echt niet.” Het is de waarheid. Maar hoe kan ze daarop vertrouwen als ze zeker wist dat Koen zoiets ook niet zou doen? In ons gezin plegen we geen zelfmoord – het idee was nog nooit bij ons opgekomen.

Alsof mijn geest naakt is, niet langer beschermd door een schedel of rationele gedachten, kom ik de week tussen het doodsbericht en de crematie door. Ik weet telkens precies wat ik wil, hoef geen seconde na te denken bij elke beslissing die genomen moet worden. Ik wil mijn broer verzorgen en aankleden, de kleding haal ik zelf op uit zijn appartement. Een week lang zie ik hem elke dag, dood in zijn kist. Ik raak hem aan, praat met hem en neem vrienden mee. Op de crematie draag ik snotterend mijn afscheidswoorden voor aan meer dan driehonderd mensen.

De dag na de crematie ben ik ziek. Met een kramp in mijn buik die ik nooit eerder zo voelde, blijf ik in bed liggen. Slapen betekent tijdelijk geen pijn. Ik ben verbaasd dat ik al mijn ledematen nog heb, zo zeker weet ik dat er ergens iets geamputeerd moet zijn. Later die week dringt uit het niets tot me door hoe onomkeerbaar de dood is. Mijn broer is voor altijd weg. Geen flauwe grappen meer, nooit meer samen een biertje doen. Er volgt een huilbui die niet op lijkt te houden.

Het verdriet van mijn ouders is nauwelijks te verdragen. Ze houden zich in mijn aanwezigheid zo goed mogelijk, vragen niets van me. Ik hoef het gat dat hun dode zoon achterlaat niet te dichten. Pas na lange tijd zie ik hoe bewonderenswaardig hun houding is. Na drie weken ga ik weer aan het werk. Ik doe zoals ik me herinner dat ik altijd deed. Dat hou ik drie maanden vol en dan is het op. De wereld is onveranderd, maar ik ben niet meer dezelfde.

Sinds mijn broer zichzelf op 30-jarige leeftijd van het leven beroofde, hoort niet alleen het dagelijkse gemis bij me, maar ook het thema zelfdoding. Vanaf het eerste moment werden mijn ouders en ik geconfronteerd met speculaties over het waarom. We komen uit een klein dorp en de geruchtenmachine kwam direct op gang. Mijn broer zou aan de drugs zijn (af en toe een joint) en schulden hebben (hij studeerde weer en was niet rijk). Het interesseerde me niet. Ze kletsten maar, als ze blijkbaar niet genoeg hadden aan hun eigen saaie leven. De geruchten in het dorp verstomden binnen een maand. En wij bleven achter met de schrijnende gaten in ons hart.

Nooit heb ik me een seconde geschaamd voor de daad van mijn broer. Ook niet toen ik ontdekte dat er nog steeds een taboe rust op zelfdoding. Sommige mensen reageerden ongemakkelijk, om welke reden dan ook, maar ik weigerde geheimzinnig te doen over de doodsoorzaak.

De tijd gaat voort, ongeacht hoe ik me voel of wat ik doe. Ik schrijf de ellende van me af, jank tot mijn ogen eruitzien als ontplofte aardbeien en ik haak voorzichtig weer aan bij de realiteit.

Het leven na Koen heeft een vorm aangenomen waarmee ik vooruitkan. Ik vraag me niet langer af waarom hij me niet belde toen hij zo diep zat, of wat ik zelf anders had kunnen doen. Dat de afschuwelijke ervaring van zijn zelfdoding voortaan bij me hoort, is een gegeven. Ik accepteer het niet en heb het ook geen plekje gegeven. Ik heb ermee leren leven, en dat gaat me meestal heel aardig af.

In februari 2010 trouwen mijn man en ik. Dat Koen geen getuige is, doet pijn. Toch vieren we die dag oprecht het leven. Na verloop van tijd overwin ik zelfs mijn angst om een kindje te krijgen. Een kind kun je tenslotte kwijtraken. Maar ik leef nog en angst mag niet bepalen hoe ik mijn leven inricht. In 2012 wordt onze dochter geboren. We besluiten haar niet te vernoemen naar haar dode oom, uit zorg dat zijn naam onbedoeld een levenslange last op haar schouders legt.

Dinsdagavond 11 september 2015. Met een vriendin ga ik naar het concert van U2. We beleven een prachtige avond, die ons regelmatig herinnert aan de tijd dat we al kwartjeszoekend over de dansvloer van de dorpsdisco schoven. Op de terugweg in de auto horen we via de radio het nieuws van de zelfdoding van Joost Zwagerman. Het bericht komt als een anticlimax. Toch bestaat het akelige bericht al snel naast de euforie over het concert. We wisselen onze evaluatie van de prestaties van U2 af met onze verbijstering over de dood van Zwagerman.

De volgende dag wemelt het van de stukken in kranten en op fora – ik kan het niet helpen maar ik moet het lezen. Van medeleven tot het oordeel dat zelfdoding laf en egoïstisch is. Van elke veroordeling word ik pissig. Wat weten mensen van diepe wanhoop en ellende?

De dag na het concert en de dood van Zwagerman lees ik ook een artikel van Bram Bakker, dat bizar genoeg één dag voor Zwagermans dood in de krant verscheen. Bakker spreekt over zijn vriend Rogi Wieg. Wieg krijgt euthanasie toegewezen wegens ondraaglijk en uitzichtloos psychisch lijden. Bakker vond het niet uitzichtloos. Bovendien had hij liever gezien dat Wieg zelfmoord pleegde. Dat was voor Bakker beter te verteren geweest, omdat het dan een weloverwogen keuze zou zijn geweest. Er laait een fel gif in me op als ik die woorden lees. Hoe kan een psychiater dit in het openbaar verkondigen? Mijn broer heeft zichzelf van zijn leven beroofd en dat is voor mij niet beter te verteren dan euthanasie. Als beide vormen van levensbeëindiging al te vergelijken zijn. Bakker is arts, maar zijn woorden wekken de indruk dat hij niet weet wat hij zegt. Hopelijk weet hij nu meer van het leven van een nabestaande.