Nu keren zelfs gelukszoekers de tinmijnen de rug toe

Minder vraag en stijgend aanbod hebben de tinprijs onderuitgehaald. Dat raakt Indonesië en zijn ‘volksmijnwerkers’ hard.

Tinwinning bij Pemeli op het eiland Bangka.De mijnen op Bangka en Belitung leveren 30 procent van alle tin die jaarlijks wereldwijd wordt geproduceerd. Foto’s Dimas Ardian / Bloomberg

Wat eindigt als soldeersel in smartphones en tablets begint bij een pezige man in niets dan een vale onderbroek. Met een pikhouweel bikt hij in een modderige krater de grond los. Een andere man – zelfde tenue – spuit met een drukspuit. Een derde zuigt de smurrie met een slang op. De drab wordt weggepompt naar een bak verderop, geschraagd door palen van bamboe. De modder klettert in het naastgelegen meertje. Die mag weg. Als het goed is, zakt een zwaarder en waardevoller goedje naar de bodem van de bak: tin.

Agus, een veertiger met een vlasbaardje en een scheef gebit, kijkt vanaf de kraterrand naar beneden. Je moet altijd met betrouwbare mannen werken, adviseert hij. „Mannen die je niet alles hoeft uit te leggen.” Mannen die weten hoe ze moeten graven – geregeld raken mijnwerkers bedolven door aardverschuivingen. Je moet zorgen dat iemand goed rondkijkt, want je weet nooit of een krokodil dichtbij sluipt. Agus kan het weten: hij werkt al decennia in de mijnen van Belitung, dat samen met het naburige eiland Bangka een van de belangrijkste wingebieden ter wereld is.

De mannen werken in een verwoest en fabelachtig landschap met verkoolde bossen aan de rand van de mijnen. Nieuw wingebied wordt eerst in brand gestoken om bomen makkelijk te ruimen. Binnen die ring van geblakerd hout liggen de mijnen, kraters van wit opgedroogde modder en steen gevuld met water. Dwars door deze turquoise meertjes loopt een onverharde toegangsweg. Als er een vrachtwagen langs dendert stijgt een rode stofwolk op.

‘Schokkerige’ aanpassing

Vraag niet aan Agus wat er met tin gedaan wordt. „Geen idee”, zegt hij. „Wij verkopen het aan het staatsbedrijf dat deze grond bezit.” Val hem niet lastig met vragen over het kelderen van de tinprijs in de afgelopen jaren. „Een paar jaar geleden kregen wij nog 150.000 roepia [15 euro] per kilo ruwe tin. Nu is dat nog maar 60.000. Je doet er weinig aan.” Voor de mijnbouwers op Belitung is de prijs van tin als het weer: je hebt er geen invloed op en werken moet je toch. Aangezien wij de pompen huren en diesel kopen, wordt het lastiger om geld te verdienen, zegt Agus. Hij wijst naar een graafmachine. „Dat ding kost 700.000 roepia per uur aan huur om een paar grote kuilen voor ons te graven.”

De mijnwerkers op Belitung beseffen het niet, maar zij hebben last van de minder snel groeiende economie in China achterblijvende resultaten in Europa en Japan en de overproductie aan grondstoffen. Die ontwikkelingen hebben de afgelopen tijd gezorgd voor grote schokken op de beurzen wereldwijd.

Op bezoek in Jakarta zei Christine Lagarde, directeur van het Internationaal Monetair Fonds, onlangs dat de wereld moet wennen aan lagere economische groei. Het IMF denkt dat het mondiale groeitempo dit jaar lager zal uitvallen dan de 3,3 procent waar de economen in Washington in juli nog van uitgingen. De aanpassing aan een langzamer groeiend China kan „wat schokkerig” zijn, zei Lagarde in Indonesië.

Genadeklap

Wat het IMF schokkerig noemt, kan op Belitung de genadeklap betekenen. De afgelopen vier jaar is de prijs van tin het meest gedaald van alle metalen. Waar de twee Indonesische eilanden decennialang de grootste tinproducenten waren, hebben ze concurrentie gekregen. China delft opeens tin, net als Birma.

Als gevolg ontstond er een mondiaal overaanbod en is de tinprijs sinds 2011 gehalveerd. De nieuwe concurrentie was al vervelend, maar als consumenten wereldwijd minder nieuwe telefoons (circa 2 gram soldeersel van tin per stuk), tablets, (1 tot 3 gram), laptops (2 tot 4 gram) en televisies (circa 5 gram) kopen, kunnen de gevolgen erger zijn voor de mijnwerkers.

De strategie van PT Timah is uitgekiend. De mijnbouwers vertellen dat zij mogen zoeken naar tin op plekken waarin het concern geen heil meer ziet. Maar de ‘volksmijnbouwers’, zoals de eenpitters heten, zijn verplicht aan het staatsbedrijf te verkopen.

„Het enige voordeel is dat wij geen pacht hoeven te betalen”, zegt Edi (28), een etnisch-Chinese Indonesiër met een ronde buik, in een T-shirt met een indrukwekkende draak. Hij kijkt hoe zijn mannen een motorblok op een baggerschip hijsen. Met een slang zuigen ze de bodem af op zoek naar de laatste restjes tinzand.

Edi is de baas. Hij investeerde 20 miljoen roepia in het schip. Maar dit is geen efficiënte manier van mijnbouw. Als een meertje niks oplevert, moeten de mannen de dertien houten planken, honderd balken en 35 lege vaten die dienen als drijvers loshalen en op een vrachtwagen laden. Een paar kilometer verderop laden ze de boel weer uit en beginnen het gevaarte met touw en spijkers in elkaar te zetten. Een volle dag zijn ze er mee kwijt.

Apple en Samsung

Aan de overkant van de weg is een officiële mijn van PT Timah. Daar lopen de kompels niet rond in vodden, maar dragen ze kniehoge beschermende rubberlaarzen, veiligheidshelmen en maskertjes tegen het stof dat tussen je tanden knarst. Daar staan gloednieuwe graafmachines. De mijnwerkers van PT Timah willen niet praten – mag niet van het hoofdkantoor.

Het werk van PT Timah, dat op Bangka, Belitung en twee andere nabijgelegen eilanden tin wint, ligt gevoelig. De op de twee na grootste verwerker van tin ter wereld is een belangrijke leveranciers aan technologiebedrijven, zoals Samsung en Apple. Op de lijst van 35 tinsmelters waar Apple zaken mee doet (zeventien uit Indonesië) en die het Amerikaanse bedrijf openbaar maakt, komen meerdere werkmaatschappijen van PT Timah voor.

Ook levert het bedrijf aan het Chinese Chernan en het Taiwanese Shenmao, twee grote fabrikanten van soldeersel die op hun beurt aan Foxconn, de grootste fabrikant van smartphones, verkopen, zo ontrafelde NGO Friends of the Earth UK. Apple erkende vorig jaar dat de omstandigheden in de mijnen op Belitung en Bangka problematisch zijn. Apple zei toen met zijn toeleveranciers te willen samenwerken om ze te verbeteren.

De dominantie van PT Timah wordt, in de ogen van de mijnwerkers, versterkt door regels van de Indonesische regering. De autoriteiten weigerden een tijd lang PT Timah een exportvergunning te geven in de hoop de prijsdaling op de wereldmarkt af te remmen. Pas als tin op de grondstoffenmarkt 17.000 dollar per ton zou kosten, zou PT Timah weer in aanmerking komen voor een exportvergunning.

Baggerschipeigenaar Edi staat er rustig bij. Het is vervelend dat de prijzen gekelderd zijn. „Maar er is hoop”, zegt Edi. De tinsmelter lag maanden stil, omdat PT Timah niet mocht exporteren. Sinds deze maand mag PT Timah weer uitvoeren (ofschoon de prijs op de wereldmarkt onder de 16.000 dollar per ton is).

Smokkelwaar

Heeft Edi de afgelopen maanden dan niks verdiend? Hij lacht. „Er zijn omwegen”, zegt hij samenzweerderig. „Stel: je kent iemand met een vissersboot. En stel: je laadt de onderste helft van de boot met tinzand. Daarbovenop doe je de vis. Dan kun je zo naar Singapore en of Maleisië varen”, zegt hij.

Achter Edi hangt een militair op een brommer met een halve literfles Bintang-bier in zijn hand. „Een vriend”, zegt Edi. De man is officier bij de luchtmobiele brigade. Of de militair Edi helpt zijn tin illegaal Indonesië uit te smokkelen wil Edi niet zeggen. Hij lacht nog iets harder en haalt zijn schouders op. „Je kunt in Singapore het dubbele krijgen.”

Een van de dagloners komt naast Edi staan. Gunawan vervloekt alles wat tegenzit. „Tot een paar jaar geleden was het hier druk. Mannen uit Palembang en Java die hun geluk kwamen beproeven. Die zijn allemaal vertrokken. Je hebt alleen de lokale bewoners, zoals ik, over. Het is schokkend hoe stil het nu is”, zegt Gunawan.

De houten eetstalletjes langs de doorgaande weg in het mijngebied zijn verlaten. Gunawan wil ook ander werk. Hij spaart geld om een eigen chilipeperboerderij te beginnen. „,Ach, dat is een droom”, zegt hij. Een eerder avontuur met zijn eigen peperkorrelplantage was mislukt. „Er kwam schimmel in de planten.”

Gunawan werkt sinds zijn achtste in de mijnen, net als zijn vader. Zijn moeder ook. Zij spoelt de ruwe tin schoon. Dat is vrouwenwerk. „Misschien zijn wij hier allemaal te verslaafd aan tin om er ooit vanaf te geraken.”