‘Laat ik het positief zeggen: ik win terrein’

winnaar Constantijn Huygens Prijs

Adriaan van Dis Foto Roger Cremers

‘Eindelijk voel ik me een beetje serieus genomen”, verklaarde Adriaan van Dis gisteren monter, nadat hij telefonisch de felicitaties in ontvangst had genomen. „Of laat ik het positiever zeggen: ik heb terrein gewonnen.” En vooral dat laatste is waar, want voor een auteur met zo’n grote naam, heeft hij de afgelopen maanden een opmerkelijke inhaalslag gemaakt wat prijzen betreft. Op de Gouden Uil na, in 1995 voor Indische duinen, moest hij het doen met een nominatie hier en daar en een Gouden Ganzenveer in 2009 voor zijn verdiensten aan het geschreven woord.

Mooie recensies waren er voldoende, lezers ook genoeg, maar prijzen gingen aan zijn neus voorbij. Misschien is het te wijten aan het vaak autobiografische karakter van zijn werk, dat in de waardering het onderspit moest delven tegen de pure verbeelding. Het is maar de vraag of Van Dis die diagnose helemaal deelt, want hij is het niet eens met de inschatting dat zijn werk autobiografisch zou zijn, zelfs niet in de laatste roman over zijn moeder.

„Zodra ik een ‘ik’ neerzet, dicht ik mij en mijn omgeving van alles toe”, aldus Van Dis aan de telefoon. En hij staat in een traditie. Dubbelliefde – zijn onderschatte roman over de volwassenwording van een jongen op weg naar de toneelschool – kreeg een motto van Louis Couperus mee: ‘al zoû ik nu eens schrijven een boek, waarvan de held een modern auteur was; al zoû ik dien held laten schrijven werken, die verwant aan de mijne waren, de held zoû ik niet zijn, zijn kunst niet de mijne: en de roman zoû een roman blijven, en zich nooit realizeeren tot autobiografie’.

Het oeuvre van Van Dis laat zich misschien lezen als een constante poging om afstand te nemen van de autobiografie. In zijn vroegste werken deed hij dat vooral op stilistisch niveau: Nathan Sid en Zilver leken soms wel prozagedichten, zo ritmisch en verfijnd ging hij te werk. In veel van de grote romans (naast Dubbelliefde ook Indische duinen en het recente Ik kom terug) is de toon aardser, de vertelling realistischer, al blijven de thema’s uit zijn debuut terugkeren. In Familieziek kiest hij met veel succes een ander wapen: een afstandelijke humor, waarmee de vader bijna karikaturaal en wrang wordt neergezet als een meneer Java die ze niet allemaal meer op een rijtje heeft.

Het feit dat literaire jury’s Van Dis steeds vaker weten te vinden, heeft misschien vooral te maken met het feit dat de waardering voor persoonlijke literatuur is toegenomen, en dat die niet langer wordt gezien als een manier van schrijven die vooral dient om je jeugd van je af te schrijven.

De Constantijn Huygensjury bekroont overigens niet alleen de familieromans, maar ook de reisboeken en de romans Tikkop en De wandelaar, die zich respectievelijk afspelen in Zuid-Afrika en Frankrijk. Uit deze boeken blijkt Van Dis’ „diepe interesse” voor de ander, „en voor vluchtelingen die, hoewel dichtbij, in heel andere omstandigheden verkeren dan de Europese mens. Zijn reizen en belangstelling voor internationale literatuur hebben hem tot man van de wereld gevormd, waarvan zijn werk getuigt”, aldus het juryrapport. Een beeld dat van Dis zal kunnen bevestigen. In een interview legde hij ooit uit dat hij geen dandy was, domweg omdat hij zich wél interesseert in andere mensen.

Het uitgebreidst gaat de jury in op het succesvolle Ik kom terug – waarvoor Van Dis dit jaar dus ook al de Libris Literatuurprijs kreeg – de roman over de strijd om een kist vol herinneringen van een moeder die in ruil voor verhalen hulp bij de dood wil. De jury noemt dit „een geestig en nietsontziend testament in romanvorm. Niet alleen van de moeder, die in flarden haar verhaal vertelt, de zoon met vulpen in de aanslag om alles alsnog te noteren, maar ook het testament van de zoon.”

Van Dis aarzelt even: „Mijn testament? Is dit mijn laatste boek, ga ik dood dan? Dat kan niet, ik heb nog zeker materiaal voor vijf boeken. Ik ben nu ook weer bezig met korte verhalen – dat doe ik altijd – en die worden samen weer een roman. Laten we van dat testament van een zoon een proclamatie van de toekomst maken.’

    • Toef Jaeger