Jong filmtalent moet wel ‘polderen’

Jonge filmmakers mogen na hun afstuderen vaak een ‘One Night Stand’ maken: een televisiefilm. Wat levert dat op?

In 'Een goed leven' vinden de plotseling berooide Helen (Ariane Schluter) en student Joeri (Joanas Smulders) elkaar

‘Het is me extreem goed bevallen”, zegt aanstormend talent Mees Peijnenburg over het maken van zijn eerste One Night Stand. Zijn film Geen koningen in ons bloed is een van de zes nieuwe One Night Stands, een talentontwikkelingsproject dat dit jaar zijn tiende editie beleeft op het Nederlands Film Festival. Begin oktober zijn de nieuwe films op televisie te zien. Peijnenburg ziet het maken van een One Night Stand als „de ideale proeftuin om te oefenen met een langere lengte, en te onderzoeken hoe je een film van vijftig minuten kunt maken die zowel een dramaturgische lijn als veel sfeertekening heeft”. Hij kreeg naar eigen zeggen veel vrijheid om het beste uit zichzelf te halen.

Peijnenburg volgde na zijn afstuderen in 2013 een route die veel filmmakers het afgelopen decennium ook doorliepen: hij maakte voor de publieke omroep een Kort!, een korte film van tien minuten, hij ging daarna door met een One Night Stand en mag hierna hopelijk doorstomen naar een volwaardige Telefilm of zelfs een ‘echte’ bioscoopfilm. Deze route vormt het zogeheten Deltaplan Talent, dat alle betrokken geldschieters – omroepen, subsidiefondsen met elkaar hebben opgesteld.

Scenarist Bastiaan Kroeger studeerde bijna tien jaar geleden af en deed sindsdien mee aan vele Kort! en One Night Stand-films. Kroeger, die aan de filmacademie lesgeeft in het schrijven van een One Night Stand en andere ‘single plays’, is er stellig over: „In 2006 voelde ik heel sterk dat dit dé vaste route was, dat het zo moest.” Kroeger looft het project als een goede manier om nieuwe samenwerkingen uit te proberen. Zelf werkte hij met eigenzinnige makers als Sacha Polak en Margot Schaap. Maar Kroeger wijst ook op de beperkingen. Zo hebben de One Night Stands de laatste jaren een thema waaraan je je moet houden. Dit jaar is dat ‘heimelijke liefde’. Je moet als jonge maker soms ook water bij de wijn doen: „Je bekwaamt je om in nauw overleg met een omroep en een producent een televisiefilm te maken. Het is geen buitenissige speelfilm die je vanuit je tenen op het witte doek kwakt.”

Saskia Diesing (van Gouden Kalfwinnaar Nena) regisseerde eerder twee One Night Stands en schreef dit jaar mee aan het scenario voor Een goed leven. „Op creatief gebied met verschillende mensen samenwerken is heel stimulerend.” Wel noemt ze als nadeel dat „er veel partijen bij betrokken zijn”. One Night Stands zijn een samenwerking tussen allerlei fondsen, waaronder het Filmfonds, de deelnemende omroepen en diverse producenten. Zo kreeg Diesing in het verleden niet alleen te maken met de dramaturg van de producent en de omroep maar ook met de stagair dramaturgie van die partijen. „Dan moet je als jonge maker wel heel stevig in je schoenen staan om je niet te laten beïnvloeden.” Kroeger ziet dat probleem ook, maar ziet ook de andere kant: „Je leert je open te stellen voor feedback die nuttig kan zijn.”

Wie de beperkingen eenmaal accepteert, en binnen het format ‘zijn vrijheid bevecht’, kan vervolgens in de woorden van Peijnenburg „vrijuit vliegen”. Maar dan nog is er een klein obstakel. Hoewel het budget van maximaal 264.000 euro meestal voldoende is, moet de film wel redelijk snel gemaakt worden: elk jaar moeten de One Night Stands op tijd klaar zijn voor hun première op het Nederlands Film Festival. Producent Joram Willink, dit jaar betrokken bij twee One Night Stands, vindt die krappe planning soms jammer: „Er is geen ruimte om even links af te gaan en dingen uit te proberen. Dat is zonde.” Toch is Willink uiteindelijk zeer positief: „Het is een waardevol project, goed dat het bestaat.”

Minister van Cultuur Jet Bussemaker vindt dat ook. Vorig jaar stelde ze 5 miljoen euro extra beschikbaar om nieuw talent in staat te stellen „vlieguren te maken”, zoals zij in haar brief over ‘talentontwikkeling’ aan de Tweede Kamer schreef. Een deel ervan gaat naar het Filmfonds dat het geld gebruikt om meer lowbudgetfilms te verwezenlijken en allerlei ontwikkelingsprogramma’s voor talent verder te vernieuwen en versterken. Deels om het wegvallen van het Binger Filmlab en het Mediafonds (in 2017) op te vangen en deels om de kritiek te ondervangen uit een recent rapport dat stelt dat het huidige Deltaplanprogramma te veel een dichtgetimmerd stramien is, met te weinig vrije ruimte om te experimenteren. Regisseur Diesing kan dat alleen maar van harte toejuichen: „Het is tijd voor meer risico’s, meer urgentie en meer lef!”