Leedvermaak bij ‘kampioen diesel’

Dat andere Europese land met een grote auto-industrie, Frankrijk, volgt het VW-schandaal op de voet. Deels is dat leedvermaak: problemen met de machtige Duitse industrie doen het altijd goed in een land waar met grote regelmaat fabrieken definitief sluiten. Maar ook omdat Frankrijk ‘kampioen’ diesel is, zoals de pers het hier noemt. Een paar jaar geleden reed nog zo’n 85 procent van de Fransen in dieselauto’s, nu nog altijd 65 procent.

Dat er überhaupt nog Franse auto’s zijn, is te danken aan de in de jaren ’80 vooral door Peugeot ontwikkelde dieselmotoren. Een na de Tweede Wereldoorlog ingesteld belastingvoordeel, bedoeld voor tractoren en vrachtwagens, werd met politieke steun het antwoord op de goedkope Japanse auto’s die de markt overspoelden.

De diesels van Peugeot en snel daarna van Renault waren duur in aanschaf, maar veel zuiniger qua brandstof en belastingen.

Minister van Financiën Sapin riep gisteren op tot een „onderzoek op Europees niveau” naar emissiefraude. Ook de Franse automakers, niet in de VS actief, zouden eraan moeten geloven.

PSA (Peugeot/Citroën) en Renault lieten weten geen problemen te hebben met zo’n onderzoek. Dat zal „bevestigen dat de Franse autobouwers in alle landen waar ze actief zijn de regels respecteren”, schreven ze.

Het is voor de fabrikanten van levensbelang dat ze goed uit zo’n onderzoek komen, want ze investeerden de laatste jaren nog fors in diesel (en hybride diesel) , onder andere via het filtre à particules additivé, dat de uitstoot van fijnstofdeeltjes zou verminderen.

In de aanloop naar de VN-klimaattop, later dit jaar in Parijs, promoten ze dieselmotoren om het lagere brandstofverbruik en de lagere CO2-uitstoot vergeleken met benzinemotoren. Peugeot steunt de door de Brussel voorgestelde striktere testprocedure voor verbruik en uitstoot die in 2017 zou moeten ingaan.