Een depot dat de fantasie op hol doet slaan

Terwijl in de trein steeds meer spullen worden gevonden, daalt het aantal mensen dat er bij de NS navraag naar doet. Wankelt het geloof in de eerlijke vinder?

In de trein tussen Naarden-Bussum en Utrecht werd op 22 augustus een knalroze wasmand gevonden met daarin een bonte verzameling spullen. Een paar witte slippers, wasknijpers, een bakvorm, een kapstok, een wc-rollenhouder en een pompflesje handzeep.

De fantasie van NS-medewerker Willem Huitema kan op hol slaan van dit soort vondsten. „Is het een koopje geweest en denken mensen: ik heb twaalf euro uitgegeven, het laten opsturen kost me vijftien euro, dus laat maar zitten?” Of heeft iemand iets te enthousiast gewinkeld en in de trein bedacht niet thuis aan te kunnen komen met zo veel impulsaankopen? Huitema weet het niet: „Zolang mensen zich niet melden, kunnen wij hier alleen maar fantaseren.”

Bijvoorbeeld als er weer eens een rolstoel wordt gevonden in de trein: opvallend genoeg een regelmatig terugkerend fenomeen. Is de eigenaar tijdens zijn treinreis op miraculeuze wijze genezen? Huizema: „Vroeger grapten we dan dat-ie zeker net van Jomanda vandaan kwam.” De werkelijkheid blijkt vaak prozaïscher. „Zo vonden we ooit een elektrische rolstoel op Den Haag CS. Deze had een defect en de eigenaar kon nog wel een beetje lopen, dus hij had hem laten staan en was maar naar zijn tehuis gelopen.”

Gevonden voorwerpen worden de eerste vijf à zeven dagen bewaard op stations. In die cruciale eerste week heeft ook 87 procent van de ‘herenigingen’ met de eigenaar plaats, becijfert de NS. Maar naar de overgrote meerderheid van de spullen wordt nimmer navraag gedaan. Die belanden in het grote depot van het Centraal Bureau Gevonden Voorwerpen in Utrecht.

In het hoogseizoen liggen daar tot wel tienduizend voorwerpen. In het laagseizoen, dat loopt van december tot eind april, zijn het er circa vijfduizend. Huitema verklaart: „In de winter vergeten mensen bij het uitstappen toch minder snel hun jas weer aan te trekken.”

In het depot worden spullen drie maanden opgeslagen. Daarna worden ze vernietigd of geveild. Identiteitsbewijzen worden teruggestuurd aan de overheid en bijvoorbeeld mobieltjes worden gerecycled.

In principe gaan de depotmedewerkers niet zelf op zoek naar een eigenaar. „Maar als er duidelijke aanwijzingen zijn, zullen ze het ook niet nalaten.” Al wordt dit niet makkelijker. Aan koffers bijvoorbeeld hangen mensen steeds minder vaak nog een naamlabel. Dit na berichten dat dieven op treinen naar het vliegveld deze labels lezen om ongestoord bij vakantiegangers te kunnen inbreken.

Aan de goedheid van de medemens wordt tegenwoordig sowieso sterker getwijfeld. Terwijl steeds meer spullen worden gevonden, daalt het aantal mensen dat er navraag naar doet. Huitema vermoedt dat veel mensen vrezen dat de vinder ze toch niet eerlijk inlevert.

Dit terwijl 60 procent van de mensen die via de NS-site een formulier invullen, te horen krijgt dat zijn voorwerp gevonden is. Belangrijk is daarbij wel specifiek te zijn. „Als je alleen invult ‘zwarte iPhone’, wordt het lastig. Daarvan hebben we er wel honderd liggen.”

Voorheen konden reizigers de spullen bij het depot ook afhalen. Sinds een paar jaar worden ze alleen nog opgestuurd. De NS brengt hiervoor vijftien euro in rekening. Een ‘tegemoetkoming’, zegt het spoorbedrijf: de werkelijke kosten liggen hoger. „Voordat een voorwerp hier komt, is het door minstens vier paar handen gegaan.”

Dat maakt het, meent Huitema, extra zonde dat veel mensen zich nooit melden. „Het is heel veel werk voor niks.”