De Togacolumn: Een bomrecept als ‘grapje’

Tussen een grapje en een celstraf loopt in het strafrecht maar een dun lijntje. Wat is een verdachte nu eigenlijk van plan? Hoe vroeger de politie ingrijpt, hoe groter de kans dat de rechter het gedrag anders kan beoordelen. De Togacolumn, deze week door Ward Ferdinandusse, officier van justitie in Rotterdam.

Humor is een persoonlijke zaak, ook in het strafrecht. Het gebeurt nogal eens dat verdachten, advocaten, officieren van justitie en rechters met elkaar van mening verschillen over wat grappig is, en wat niet. Zo ondervonden ook de mariniers die op een marineschip een collega ’s nachts uit zijn bed trokken, boeiden, een geblindeerde bril en oorkappen opzetten en zijn mond dichtplakten met tape. Ze voerden hem af naar een kooi die bedoeld was om piraten vast te houden en lieten hem daar achter met zijn armen achter zijn rug geboeid en aan de grond vastgemaakt, terwijl de kooi met een ketting en een extra tie-wrap werd afgesloten. Zekerheid voor alles. Geintje! De militaire kamer van de rechtbank Arnhem dacht daar anders over, en veroordeelde de mariniers in 2011 voor wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Ik moest er aan denken bij het nieuws twee weken geleden dat een terreurverdachte werd vrijgesproken. Het Openbaar Ministerie had vier jaar celstraf tegen hem geëist voor de voorbereiding van een aanslag op de Amerikaanse ambassade, de Nederlandse politie of het Nederlandse leger. Bij de man thuis had de politie een schrift gevonden met daarin een recept voor een bom en een eed van trouw aan de leider van Islamitische Staat. Ook waren er Facebook-chats over bommen en explosieven. En  hij had in zulke chats gezegd naar de Islamitische Staat te willen gaan om te strijden.

Een serieuze zaak dus, zo op het eerste gezicht. In de woorden van de rechtbank Den Haag: deze uitingen hadden alle schijn van strafbare voorbereidingshandelingen van terroristische misdrijven. Maar, verklaarde de verdachte, hij had het allemaal niet serieus bedoeld. Het was één grote grap. Hij had vooral stoer willen doen om jonge dames uit hun boerka te praten. Hij had eerder ook wel andere rollen gespeeld, bijvoorbeeld die van grote drugsdealer. Het Openbaar Ministerie geloofde hem niet, maar de rechter deed dat wel en sprak hem vrij. In hoger beroep mogen andere rechters zich gaan buigen over de zaak.

Zo’n verschil van inzicht in het al dan niet humoristische gehalte van een (ogenschijnlijk) misdrijf zien we dus wel vaker. Memorabel is de zaak van een vrouw die kort na 9/11 – in een tijd waarin in Amerika verschillende mensen overleden na de ontvangst van brieven met anthrax - een poederbrief liet bezorgen bij een bank met de tekst “als je dit leest is het te laat”. De bank werd ontruimd en bleef twee dagen dicht. Het personeel moest ingrijpende ontsmettingsmaatregelen ondergaan. Grapje! Niet geheel onverwacht overwoog de rechtbank hierover later wat plechtig dat zij, anders dan verdachte, “het humoristische karakter van vorenbedoeld handelen niet vermocht in te zien”. Een veroordeling voor bedreiging volgde, en er moest ook een fikse schadevergoeding worden betaald.

In strafzaken zoals die van de mariniers en de poederbrief staat niet ter discussie wat de verdachten hebben gedaan. Dat maakt de vraag of een misdrijf bewezen kan worden verklaard vrij makkelijk. Hier helpt de scheiding tussen opzet en motief: het is duidelijk dat de verdachten in die zaken opzettelijk iemand tegen zijn wil hebben vastgehouden en bankmedewerkers hebben bedreigd. Dat hun motief daarvoor een - laten we zeggen - wat particulier gevoel voor humor is, doet daar niet aan af. Voor de bewezenverklaring van het misdrijf is het niet relevant. Voor de strafoplegging dan weer wel.

Als in een vroeg stadium is ingegrepen door de politie vanwege een verdenking van een ernstig misdrijf dat nog gepleegd moet worden, is de beoordeling ingewikkelder. Doordat er (nog) geen uitvoeringshandelingen zijn gepleegd waaruit het opzet van verdachten duidelijk blijkt, is er meer ruimte om verschillend te denken over de vraag wat de verdachten in zulke zaken nu eigenlijk van plan waren. Dat is de prijs die we betalen voor maximale preventie van ernstige misdrijven. Bij geloofwaardige informatie verkiezen we vroeg ingrijpen boven de sterkst mogelijke bewijspositie. Dat kan gevolgen hebben voor de strafzaken die op dat ingrijpen volgen.

Overigens is er ook los van een eventuele strafrechtelijke veroordeling voldoende reden om je niet (al dan niet grappig) voor te doen als crimineel. Daar kunnen de ondernemers uit Tolbert die zich bij wijze van humoristische publiciteitsstunt voordeden als helers van gestolen Van Gogh schilderijen over meepraten. Van poging tot oplichting werden zij tot en met de Hoge Raad vrijgesproken, omdat zij nooit van plan waren geweest het Van Gogh museum daadwerkelijk geld afhandig te maken. De civiele rechter veroordeelde hen echter wel tot een flinke schadevergoeding, niet alleen aan het Van Gogh museum maar ook aan de politie. Het  ‘suggereren van betrokkenheid bij een strafbaar feit terwijl men zelf beter weet’ is namelijk een onrechtmatige daad tegenover de politie, aldus de rechter. Het is maar dat u het weet.

 

Dit is de eerste bijdrage van Ward Ferdinandusse, officier van justitie bij het Landelijk Parket, aan de Togacolumn. Deze wordt afwisselend geschreven door een advocaat, een rechter en een officier.

 

    • Ward Ferdinandusse