Column

De fiets onder de waterspiegel

De werkelijkheid kan absurdistischer zijn dan fictie. Schrijfster Ilona Verhoeven ziet meer dan zij ziet.

Een vrouw zo wit als zand, als het zand aan de oever van een rivier, drukt zich op en begint te lopen. Ze is op het strand geslagen, tegelijk met wier en wrakhout, een stuk visnet, een verrassend grote maar dode krab, enkele zoetwatermosselen en een bijna onherkenbaar verkleurd colablikje. Nu schudt ze met haar hoofd, niet alsof ze het ergens niet mee eens is, nee, als een hond, als een wilde hond, omdat haar haren nat zijn en ze geen handdoek bij zich heeft. Ze heeft nooit een handdoek, deze vrouw, die nat is en wit, met meanderende aderen op haar bonkige kuiten.

Het is ochtend, haar werk zit erop. De hele nacht was ze op de rivierbodem. Je kunt veel op z’n beloop laten, weet de vrouw, maar niet de rivier. Daarom fietst zij elke avond het water in en ploegt cirkels beneden in de modder.

Er wordt veel beweerd over de rivier. Dat hij gaat waar hij gaat, dat hij kronkelt en dat hij ergens het land binnenkomt om naar zee te gaan. Je merkt er weinig van, behalve als je de schepen volgt die eroverheen varen. De grote duwbakken met de namen.

Ze hebben mooie namen, vindt de vrouw. Ze twijfelt welke het mooist is: Volharding of toch Sysiphus.

Ze stalt haar fiets onzichtbaar onder een gewezen waterspiegel, tegen een brugpijler, de fiets die na een nacht toeren altijd samen met haar aan de vloedlijn eindigt.

De rivier stroomt, de rivier spuugt uit. Daar wordt niet over gepraat, het gebeurt. De rivier is een landschap op zich. Een met golven en keien en kribben, met begroeiing die van aangewaaide zaden komt. De vrouw kent een verhaal van een zonnebloem uit Bazel die tot bloei kwam in Nijmegen. Als je ze hun gang laat gaan, reizen ze per schip, de planten in spé. De schepen vragen niets, ze varen.