De boeklancering komt eraan

Hora est. Vrijdag liggen de eerste exemplaren van Wat alleen wij horen in de winkel en diezelfde avond wordt de roman voorgesteld aan het grote publiek. De voorbije week was er één vol knotsgekke avonturen. Er werden drie trailertjes opgenomen voor Wat alleen wij horen. Verder heb ik me comateus gepraat tegen journalisten, waarbij de vraag naar het autobiografische gehalte van het personage Erin, een licht ontvlambare lesbische schrijfster, vaste prik was. En ik heb een bezoek aan de Efteling overleefd, waar ik het mezelf gegund heb in geen enkele attractie te gaan want die achtbanen, rupsen en baronnen hebben de neiging stil te vallen zodra ik erin plaatsneem.

Nu is het tijd voor het echte ritueel dat aan iedere boekvoorstelling voorafgaat: de boekenfamiliebijeenkomst. Het is met klamme handjes en een droge mond dat ik mijn andere boeken vertel dat ik groot nieuws heb en dat ons gezin verrijkt wordt met de nieuwe spruit Wat alleen wij horen.

„Ik wil dat jullie het als eersten weten”, verklaar ik.

„Maar het heeft al in de krant gestaan”, moppert mijn eerstgeborene, Vrije val. Ze heeft altijd in de schaduw van haar broertjes en zusjes gestaan, vandaar haar lichtgeraaktheid.

„Wat een naam”, vult Wij en ik onmiddellijk aan. „Waarom moet daar nu weeral een Wij in voorkomen? Die wij is van mij.”

„Omdat het boek in zekere zin een vervolg is op jou”, probeer ik de puberale reactie te counteren.

„Waarom nog een boek? We zijn al met te veel op aarde. De overbevolking onder de boeken is toch ook een reëel probleem?”, pruilt Jeuk, een dun boekje dat uit spaarzame zinnen bestaat. „Hoeveel bossen gaan er nu weer tegen de vlakte?”

„Zoveel mogelijk”, geef ik toe. „Al ben ik wel een grote voorstander van e-books.”

„En wie gaat die boeken lezen?”, vraagt Held die geen ander boek dan zichzelf wil lezen.

Ik kijk geduldig de tafel rond. „Ik begrijp dat het voor jullie wat aanpassen is, maar hoor eens hoe mooi hij is.” Ik lees hun een stukje van hun nieuwe broertje voor.

„O, ik ben helemaal mee”, geeft Eeuwige roem, de grenzeloos optimistische roman, toe.

„Wel een beetje aan de dikke kant”, stelt ettertje Jeuk vast.

„Niets mis met een maatje meer, integendeel”, berispt Wij en ik hem.

„Waarom bestaan boeken eigenlijk?”, wil Dit is van mij, de eeuwig kritische wijsneus weten.

„Daarom”, zeg ik omdat ik het antwoord niet ken. „Het is de ondoorgrondelijke weg van het leven. Kom, laat ons wat plaatsmaken voor als Wat alleen wij horen eraan komt”, besluit ik en netjes in een rij, van dik naar dun, waggelen mijn vorige boeken naar de boekenkast, bekvechtend over wie naast Wat alleen wij horen mag staan. Ik weet het, maar ik zeg niets.