Brieven

Te saai, te donker voor 160 miljoen

Onze overheid en het Rijksmuseum zijn bereid om 160 miljoen euro (€160.000.000!) te betalen voor 2 portretten van Rembrandt, geschilderd in 1634. Op zich een prima gedachte om de positie van onze nationale trots in de Champions League van topmusea te versterken met werken van onze bekendste schilder, die ook nog eens zijn atelier in Amsterdam had. De vraag is alleen of dit werkelijk topstukken van Rembrandt zijn. Of zoals uw krant schrijft: van de buitencategorie. En of ze dus hun geld waard zijn. Tot dusver heb ik nog geen enkele kanttekening in de media aangetroffen.

Feit is dat het weliswaar grote schilderijen zijn, maar dat de gezichten van Maerten Soolmans en Oopjen Coppit maar een heel klein deel van het gehele doek beslaan. Volgens mijn berekening nog geen 2 procent.

Via Google zijn veel portretten van Rembrandt te zien. Het lijkt erop dat de familie Soolmans in verhouding tot de andere families wel erg veel zwart en erg weinig portret voor hun geld gekregen heeft.

Op het door het Rijksmuseum in 1985 aangekochte portret van Haesje van Cleijburg, dat eveneens uit 1634 dateert, is de verhouding geheel anders. Haar gezicht is werkelijk afgebeeld, waardoor de klasse van Rembrandt duidelijk wordt.

Ook op de compositie van de aan te kopen portretten is iets af te dingen. In de prachtige catalogus Hollandse Meesters uit Amerika worden de portretten beschreven op bladzijde 380. Zij worden vergeleken met andere schilderijen met een vergelijkbaar onderwerp. Er staat: „meer nog dan bij de Soolmansen is Rembrandt erin geslaagd een interactie teweeg te brengen tussen zijn modellen”. Juist die interactie, die we zo goed kennen van de Nachtwacht en die een belangrijk element toevoegt aan de briljante schildertechniek van de meester, wordt bij de aan te kopen portretten dus gemist.

Op de expositie in het Mauritshuis hing het portret van Joris de Caulerij, uit 1632. Het hing boven aan de trap. Majestueus, charismatisch en van een uitzonderlijke schoonheid. Helaas is dit meesterwerk met veel andere topstukken naar het buitenland verdwenen. Ieder initiatief om de collectie van het Rijksmuseum te versterken met een Rembrandt is derhalve prijzenswaardig.

Ik kan me echter niet voorstellen dat de familie Soolmans in het Rijks een positie in de spits gaat verwerven. Daarvoor zijn ze te saai, te donker en gewoonweg niet briljant genoeg.

Jihadisme

Radicalen zijn er ook in soorten

In het interview Jihad is niet ideologisch maar puberaal (21/9) stelt de Britse jihadisme-expert David Kenning: „Jihadisme is een puberoplossing voor een puberbrein”. Maar als het puberbrein de oorzaak is van radicalisering, zou toch iedere puber naar Syrië vertrekken? Bovendien radicaliseren ook volwassenen. Hoe zit dat?

Kenning richt zich op één type radicaal, ‘de sensatiezoeker’. Het puberbrein zou een rol kunnen spelen bij dit type. Maar Kenning vergeet andere typen radicalen te noemen waarvan het nog maar de vraag is in hoeverre het puberbrein een rol speelt. Ten eerste, ‘de identiteitszoeker’. Bij deze mensen speelt the quest for significance; zij willen iets betekenen in een samenleving. Lukt dat niet hier, dan zoeken ze dat elders (lees: in Syrië). Het tweede type radicaal is ‘de rechtvaardigheidszoeker’; deze mensen vinden dat zijzelf of hun groep onrechtvaardig wordt behandeld en zijn op zoek naar rechtvaardigheid. Met name deze tweede groep is sterk ideologisch gemotiveerd. Door de sensatiezoekers centraal te stellen, benadrukt Kenning puberale en onderschat hij ideologische factoren. Radicalisering afdoen als een puberbreinprobleem doet dus geen recht aan de complexiteit van radicalisering.

Bertjan Doosje Hoogleraar Radicalisering, UvA

    • mr. J.J. Campagne van Zetten
    • Bertjan Doosje