Bij de rebellenclub slaat de weemoed toe

Vijftien jaar na zijn droomdebuut met ‘Wilde mossels’ opent regisseur Erik de Bruyn opnieuw NFF met roadmovie ‘J. Kessels’. „Ik speel met de werkelijkheid.”

Vijftien jaar geleden kwamen ze de Nederlandse filmwereld binnen scheuren op hun motoren: de ‘wilde mossels’ Fedja van Huêt en Frank Lammers in de gelijknamige film van Erik de Bruyn. En nu zijn ze terug in een smokende Toyota Kamikaze als schrijver Fransje en zijn alter ego J. Kessels. Met Wilde mossels bracht De Bruyn rock-’n-roll in de Nederlandse film.

De film opende het Nederlands Film Festival, net als J. Kessels nu, kreeg de Prijs van de Nederlandse Filmkritiek en werd door z’n doortastendheid en ambitie een voorbeeld voor latere generaties filmmakers van Arne Toonen (De Boskampi’s) ‘tot de jongens van New Kids’, vertelt De Bruyn aan de vooravond van het Nederlands Film Festival. „Wilde mossels was mijn eigen verhaal, de film had mijn eigen bravoure. In J. Kessels heb ik ook nog wel tot op het laatste moment scènes geschreven die ik erin wilde hebben. En ik ben wel trots genoeg op de film om te hopen dat J. Kessels hetzelfde effect kan hebben als Wilde mossels heeft gehad.”

Roadmovie J. Kessels is gebaseerd op de gelijknamige roman van P.F. Thomése, die een slapstickvariant op een B-film schreef over twee mannen in een auto, een meisje van vroeger en een verdwenen frikadellenkoning. Samen met scenarist Jan Eilander bewerkte De Bruyn het boek tot wat hij omschrijft als „een muzikale cowboyfilm, een film over vastzitten, of dat nu door een writer’s block of een midlifecrisis komt, en over hoe je door het verlangen te hervinden weer in beweging kunt komen.”

De parallellen met Wilde mossels liggen voor de hand, niet alleen door de casting van Van Huêt en Lammers, maar ook door dat verlangen naar het onbenoembare – de horizon, mooie meisjes uit je jeugd – dat als een rode draad door zijn werk loopt. Wilde mossels was moeilijk van de grond te krijgen, vertelt De Bruyn, omdat het Filmfonds destijds de hoofdpersoon te passief vond. „Maar film hoeft voor mij niet in de pas te lopen van het voorgekauwde Hollywoodsyndroom van ‘Man vangt boef’. Dat lijkt de afgelopen vijftien jaar wel steeds meer de norm geworden, ook bij het publiek. Moet je je dan als filmmaker aanpassen, of mag je toch nog proberen te zoeken naar verhalen die meanderen, die een klein beetje ontsporen en anders aflopen dan je had verwacht?”

Met Wilde mossels vond De Bruyn zijn eigen stijl, met ruimte voor surrealistische elementen, het manipuleren van de tijd en dagdromen. Die elementen zijn nu ook weer in J. Kessels terug te vinden. „Bij J. Kessels wilde ik spelen met de vraag wat werkelijkheid is en wat inbeelding. Het is het beste om de vraag niet altijd te willen beantwoorden, maar om dat aan de toeschouwer te laten.”

Fedja van Huêt vertoont in de film een opvallende gelijkenis met schrijver P.F. Thomése. De Bruyn: „Fedja kwam ermee tijdens de casting dat hij zijn personage op Thomése wilde laten lijken. Samen met zijn rolinvulling heeft dat me overtuigd. Het boek heeft al heel erg de link met Thomése zelf aan zich hangen. Hij parodieert zichzelf voortdurend.’’

Waar Wilde mossels rock-’n-roll was, is J. Kessels meer country & western. „Die muziek geeft gestalte aan de weemoed van de hoofdpersonen, met die teksten over eenzame cowboys die wegrijden naar de horizon. „Rock en rock-’n-roll staan voor rebellie, country & western gaat meer over verlangen, on the road zijn en ergens de weg kwijtraken.”

    • Dana Linssen