Zij loopt 245,3 km hard, aan één stuk door

Ultraloopster

Vrijdag loopt ze de Spartathlon – van Athene naar Sparta. Een helse tocht waarbij in 2012 slechts 18 procent van alle deelnemers de finish haalde. „Nee, het is niet gezond.”

Ultraloopster Léonie van den Haak: „Natuurlijk slijt ik mijn heupen en knieën sneller, maar dat is geen afweging.”

Kleine pasjes maakt ze, en ze raakt steeds maar even geruisloos de grond. Niet dat ze als een sprintster op haar tenen veert, nee, ze loopt niet agressief, maar aan die achillespezen als staalkabels die de hiel niet toestaan lang contact te maken met de ondergrond kun je zien dat ze haar tengere, 1,67 meter lange lichaam al tienduizenden kilometers op deze manier over het asfalt beweegt. Ze verliest geen energie aan armen en benen die zwabberen. Het gaat geolied van links, rechts, links, rechts, altijd in dat ritme en dertig uur achter elkaar als het moet.

Léonie van den Haak sliep uit deze morgen, trok ondanks 18 graden een lange hardloopbroek en twee lagen bovenkleding aan en ging op een lege maag om acht uur van huis. In ontluikend Amsterdam liep ze 22 trage, stille kilometers als het alarm van haar Garmin-klokje om haar linkerpols afgaat. Etenstijd. Elke dertig minuten een piepje. Haar moment, ze concentreert zich op de handelingen die haar over zes dagen, als ze nog honderden kilometers voor zich heeft, op de been houden, fysiek maar ook mentaal.

Van checkpoint naar checkpoint - hoeveel eten en drinken krijgen de lopers?

Elke vijf kilometer vieren dat ze leeft, met een ‘gelletje’ salted-caramel of die andere favoriet met pindakaassmaak, en dan gedecideerd drinken, een soort geheime zoutoplossing „zonder verboden middelen” of water uit het kleine rugzakje dat ze altijd draagt. Ze neemt grote teugen, en is voor even onverstoorbaar. Ze visualiseert de weggetjes van Malandreni, van Kaperelli, en van Sangas terwijl ze onder het viaduct A10 Waterland binnenloopt richting Durgerdam, met uitzicht over het IJmeer, haar wekelijkse strijdtoneel.

Ze gaat het weer doen, de Spartathlon, een van de zwaarste hardloopwedstrijden ter wereld. Ze trainde er sinds 1 januari 5.500 kilometer voor – omgerekend 20 kilometer per dag – en vertrok dan vaak om vier uur ‘s ochtends van huis, waarna ze een werkdag voor de boeg had op het Nike-kantoor in Hilversum, of elders in Europa, want Europa valt onder haar marketingportefeuille.

Ze trainde het voorbije jaar „perfecter dan ooit” en is nu sterk, zegt ze gemakkelijk slalommend van autoweg naar fietspad en vrolijk stampend door diepe plassen in de polder richting het gehucht Holysloot. Wat dat waard is, is lastig te zeggen. Je weet nooit wie er naar Griekenland afreist. Ultralopen is een snel uitdijende sport.

De race van 2014 in foto's

De race

In 2012 werd ze tweede in bijna 29 uur, toen het overdag 42 graden werd en toen slechts 18 procent van alle deelnemers de finish haalde. In de nacht, met al meer dan 100 kilometer in de benen, viel er een ster juist op het moment dat ze aan haar vader dacht, die op haar negende naast haar bezweek aan een hartstilstand.

En de laatste vijftig kilometer die ze aflegde gingen sneller dan de snelste man, omdat ze na meer dan 20 uur achter elkaar hardlopen op het verzengende stuk asfalt tussen Tegea en Sparta besef van tijd en ruimte verloor en in een staat van zijn raakte die ze noch daarvoor noch nadien meemaakte. Nirvana, zegt het boeddhisme, het uitdoven van verlangens waardoor het lijden wordt opgeheven – ze noemt het begrip zelf, maar durft niet te zeggen of ze het getoucheerd heeft, die verlichting.

Van lijden was geen sprake geweest, het was als een sprookje zo mooi. Zeker was dat ze daar moest zijn op dat moment, en dat ze schier pijnvrij naar de finish zweefde, zo in de armen van haar geliefde die in die bange 29 uur troost had gevonden in lijstjes met tussentijden en afgevinkte checkpoints.

Verslaafd aan hardlopen

Ze zegt dat ze dat weer wil, het gevoel dat alles klopt, al komt ze er maar in de buurt. Op de terugweg vanuit Holysloot windt ze zich op over de vraag of het wel gezond is wat ze doet. Ze wordt moe van mensen die alles wat ze niet kennen in het negatieve moeten trekken.

„Nee, het is niet gezond”, zegt ze duidelijk geïrriteerd, maar nog altijd dezelfde vastberaden tred vasthoudend, of ze nu moet uitwijken voor een auto of een steil bruggetje over moet, „natuurlijk slijt ik mijn heupen en knieën sneller dan iemand die dit niet doet, maar dat is niet eens een afweging voor mij. Vergelijk het met een roker. Die weet ook best dat-ie er kapot aan gaat. Maar stoppen, ho maar.”

Waarmee weer niet gezegd is dat ze verslaafd is aan hardlopen, dat ze haar soms sombere momenten (ze is licht manisch-depressief, hoewel nooit officieel vastgesteld) met de kilometers bezweert, zoals de beste ultraloper van dit moment, de Amerikaan Rob Krar, wel doet. „Ik kan er zo mee stoppen.”

Ze vindt het „gewoon leuk” om door het Hollandse landschap te rennen, en dan 60, 80 kilometer, of zoals laatst 100 kilometer in rondjes door het Vondelpark, in alle rust. Rust in haar hoofd. En dan lekker kijken, verscholen onder een baseballpetje. Ze hoeft niets meer dan er te zijn op zo’n moment. Daar geraken was een zoektocht naar identiteit. Als tiener hulde ze zich in zwarte kleding en verfde ze spinnenwebben in haar gezicht. Een sociaal experiment, ze was benieuwd hoe men op haar zou reageren. In zekere zin doet ze dat nu weer, met het ultralopen. „De meesten snappen het niet. Prima. De mensen die daar doorheen prikken blijven over.”

In 2009 liep een collega van de fitnessschool waar ze lesgaf met een twinkeling in zijn ogen rond; hij zou een ‘ultra’ van 90 kilometer gaan lopen in Zuid-Afrika. Twee jaar later liep ze er zelf. En nu kijkt ze met eenzelfde twinkeling op van haar worteltaart in café ‘t Sluisje in Amsterdam, de slagroom gedisciplineerd terzijde geschoven. Als ze constateert dat ze in haar hardloopkledij begint te stinken, zet ze het op een lopen. Thuis heeft ze er 50 kilometer opzitten, grofweg eenvijfde van de Spartathlon.

De race is vrijdag live te volgen bij Spartathlon. Mobiel meekijken? Dat kan hier.

    • Dennis Meinema