Recept voor langer leven in Gawal: niet meer buiten poepen

De dorpelingen van Gawal leven tegenwoordig veel langer. Hun geheim: ze hebben latrines gebouwd en poepen niet meer in het veld. Niet de regering, maar ngo’s zorgden voor de omwenteling.

Inwoonster van het Bengaalse dorp Gawal. Vooral voor meisjes vormen latrines een uitkomst. Niet langer hoeven ze gegeneerd in de veldjes met hun ongesteldheid te worstelen. Foto Floris van Straaten

Het Bengaalse dorpje Gawal oogt immuun voor verandering. Gelegen aan een half verhard weggetje over een dijk met aan weerszijden smaragdgroene rijstveldjes en gordijnen van bamboe, rennen kakelende kippen over het erf van de huisjes, pruttelt er af en toe een geblutste scootertaxi voorbij en loeit er soms een koe. Vrouwen in kleurige kleren lachen bij de dorpspomp.

Maar in dat zelfde Gawal, zo’n 40 kilometer ten westen van de hoofdstad Dhaka, heeft de laatste jaren een stille revolutie plaatsgevonden. Vanaf de weg is het niet te zien, maar wie naar de erfjes achter de huizen loopt, ziet daar golfplaten hokjes staan, met plastic slippers voor de deur. Binnen, naast een kan water, liggen betonnen voetstappen en een gat met een afvoer. In deze latrines doen de bewoners sinds enkele jaren hun behoefte.

„Vroeger poepten en plasten we gewoon daar in het veld”, zegt de 28-jarige Rokeya, de vrouw van een riksjabestuurder, en ze wijst naar de veldjes achter haar huis. Vooral voor vrouwen was de oude toestand een beproeving. Vaak moesten ze uit gêne wachten tot de duisternis inviel voor ze blaas en darmen konden legen, want voor vrouwen gelden er in Bangladesh in dat opzicht andere normen dan voor mannen. „Dit is prettiger en veiliger. Ik vind het heerlijk dat ik nu privacy heb. Bovendien word je er minder door insecten gebeten”, zegt Rokeya.

Vrij spel voor virussen

Negen jaar geleden had nog amper een derde van de mensen in Gawal een latrine bij het eigen huis en hadden virussen en bacteriën vrij spel. Nu is dat gestegen tot 97,5 procent van alle 250 huizen. De gevolgen van deze sanitaire omwenteling zijn enorm: mede hierdoor is de levensverwachting gestegen van 45 tot 61 jaar. Dat is geen wonder, want de gevolgen van ontlasting in de buitenlucht kunnen bijzonder kwalijk zijn. De Wereldgezondheidsorganisatie van de VN schat dat in elke gram poep tien miljoen virussen kunnen schuilen, een miljoen bacteriën en duizend parasieten.

„Voorheen hadden we telkens te kampen met cholera en andere ziektes die diarree veroorzaken, vooral in november en december”, zegt Mohammed, de voorzitter van de dorpsraad, gezeten op een mat op het lemen erf tussen enkele huisjes. „Je durfde dan haast niet meer bij je buren thuis te komen uit vrees voor besmetting. Diarree was de belangrijkste doodsoorzaak voor kleine kinderen in het dorp. Maar sinds 2008 hebben we hier helemaal geen cholera meer gehad”, vertelt hij.

Andere leden van het dorpscomité die meeluisteren knikken geestdriftig. Ze zijn fitter dan vroeger en hoeven minder geld aan de dokter uit te geven.

Duurzame vooruitgang

Het toont hoe cruciaal goede sanitaire voorzieningen zijn voor armen in ontwikkelingslanden. Niet voor niets maakt het, net als bijvoorbeeld veilig drinkwater, onder het kopje ‘duurzaamheid’ deel uit van de door de Verenigde Naties opgestelde millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (zie graphic).

Gawal staat ook niet op zichzelf. In heel Bangladesh is er vooral het laatste decennium snelle vooruitgang geboekt op het terrein van hygiëne en sanitaire voorzieningen. Volgens cijfers van de Bengaalse hulporganisatie BRAC maakt 80 procent van de bevolking tegenwoordig gebruik van sanitaire voorzieningen. Volgens de Bengaalse regering zelfs 99 procent, maar die cijfers gelden als minder betrouwbaar. Hierbij zij aangetekend dat niet elk huishouden zelf beschikt over een wc of een latrine, velen delen faciliteiten met familie of bekenden.

Ter vergelijking: in het rijkere buurland India ontlast nog altijd bijna de helft zich in de open lucht. „Bangladesh heeft het echt heel goed gedaan”, zegt Ingeborg Krukkert, deskundige van de Nederlandse hulporganisatie IRC, die Bangladesh frequent bezoekt. „Zeker in vergelijking met India. Daar is de toestand van vooral de armsten veel minder verbeterd.”

Een speciale uitdaging in sanitair opzicht vormen de steden met hun snel uitdijende sloppenwijken, zoals Korail in de hoofdstad Dhaka. De mensen zitten er veel dichter opeen. Weliswaar groeit ook daar het bewustzijn van het belang van hygiëne, maar bij zware regenval wil ongezuiverd afvalwater nog wel eens over de modderige openbare weg spoelen. Door al die viezigheid steken cholera, tyfus, denguekoorts, tuberculose en longontsteking makkelijk de kop op.

„Er wordt in Korail nu wel gewerkt aan een riolering maar dat gaat erg klunzig”, zegt Lisa van Gerven, een Nederlandse hulpverlener van Bengaalse afkomst. „Nu eens een stukje hier, dan weer daar, maar het werkt allemaal nog niet.”

Een hoofdrol bij de verbeteringen in Bangladesh was weggelegd voor niet-gouvernementele organisaties als BRAC en Grameen Bank. „De ngo’s hebben werkelijk een schitterende prestatie geleverd op het terrein van de gezondheid, voeding en de emancipatie van vrouwen in ons land”, zegt Mahfouz Anam, hoofdredacteur van The Daily Star, een van de belangrijkste kranten van Bangladesh .

De Bengaalse regering onderscheidde zich minder, maar werkte de hulporganisaties in de meeste gevallen althans niet tegen.

BRAC speelde ook in Gawal een centrale rol met zijn zogeheten WASH-programma (Water, Sanitation and Hygiene). Het opereerde volgens een inmiddels beproefde strategie. „We zijn niet zomaar met de latrines, begonnen”, zegt Milan Kanti Barua, directeur van BRAC. „We moesten eerst de dorpsgemeenschap er bij betrekken en een mentaliteitsverandering teweeg brengen. De nadruk lag eerst op het belang van hygiëne. Hun gedrag in dat opzicht moesten we zien te veranderen.”

Dat betekende dat de bewoners geleidelijk aan werd bijgebracht hun handen te wassen na hun behoefte te hebben gedaan (de Bengalen reinigen hun achterste traditioneel met water en de linkerhand) maar ook voor ze gingen eten. Traditioneel doen ze dat zonder mes en vork, met de rechterhand. Er werden dorpscomités opgericht die regelmatig samen de sanitaire voorzieningen bespraken en sommigen vermanend toespraken, die te zorgeloos te werk gingen.

Maandverband

BRAC werkt in ruwweg de helft van de Bengaalse districten, terwijl Unicef, het Kinderfonds van de VN, de rest voor zijn rekening neemt. In het voorbijgaan bewerkstelligde BRAC nog een tweede revolutie. Het zorgde ervoor dat mannen én vrouwen samen over de hygiëne in het dorp begonnen te praten. „In ons land, waar mannen en vrouwen alles altijd gescheiden van elkaar bespraken, was dat ongehoord”, zegt Barua.

Kinderen, vooral meisjes, werden niet vergeten. Ze kregen en krijgen voorlichting over hygiëne en het gebruik van de latrines. Speciaal voor meisjes vormden die latrines een uitkomst. Niet langer hoefden ze gegeneerd in de veldjes met hun ongesteldheid te worstelen, een periode wanneer ze in Bangladesh voor velen als ‘onrein’ gelden. Geen oude vieze lappen meer om het menstruatiebloed op te vangen, waardoor ze makkelijk gevaarlijke infecties opliepen. Er is nu eenvoudig maandverband. BRAC biedt dat voor weinig geld aan en de meesten in dit dorp kunnen zich dat, met steun van hun ouders, wel permitteren. Maar in veel andere dorpen zijn ze nog niet zover. Bij veel scholen ontbreken ook nog goede toiletten, waardoor meisjes, zeker tijdens hun menstruatie, dan maar liever wegblijven van school. Ze zijn ook vaak bang vieze lappen of bebloed maandverband achter te laten. Ondanks alle vooruitgang zijn er nog altijd taboes in Bangladesh die uit de weg moeten worden geruimd.

    • Floris van Straaten