Prachtig! En nou de kunst van nú graag

Trots op dit nationale erfgoed waarvoor ‘we’ best extra geld over hebben? Laat deze twee Rembrandts dan het begin zijn van een renaissance van de cultuurpolitiek, vindt Birgit Donker.

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Dus het Rijksmuseum gaat de huwelijksportretten verwerven van Maerten Soolmans en Oopjen Coppit door Rembrandt van Rijn, voor een bedrag van 160 miljoen euro. Het Rijk draagt de helft bij, de rest moet het museum zelf bijeen zien te krijgen via vermogende Nederlanders; via niet zo vermogende Nederlanders van wie sommigen zich al spontaan hebben gemeld; en via fondsen.

Het is gemakkelijk hier verontwaardigd over te doen. 160 miljoen! Dat is bijna een kwart van wat het Rijk jaarlijks overheeft voor de hele kunstsector – van film tot architectuur en van opera tot urban dance. Hoeveel orkesten, theatergezelschappen, musea, schrijvers, festivals en presentatie-instellingen voor beeldende kunst kun je hier niet mee verder helpen? Om nog maar te zwijgen van het nijpende probleem dat er voor de aankopen van Nederlandse musea in het algemeen steeds maar minder geld beschikbaar is. De musea zelf hebben weinig middelen en daarnaast heeft het Rijk het Nationale Aankoopfonds voor bijzondere aankopen van musea enkele jaren geleden gesloten. Als de aanschaf van de twee portretten doorgaat, zou dit aankoopfonds vrijwel verleden tijd kunnen zijn.

De enige plek waar musea bij aankopen nog kunnen aankloppen voor extra rijksfinanciën is het publieke Mondriaan Fonds. De vraag is echter hoe lang nog, want het Mondriaan Fonds gebruikt op dit moment in het verleden opgebouwde reserves om bijzondere aankopen te helpen verwerven. Zoals vorig jaar de Tyrannosaurus Rex door Museum Naturalis en de sculptuur van Adriaen de Vries door het Rijksmuseum of het topstuk van Lawrence Alma-Tadema, die nu een sleutel vormt in de collectie van het Fries Museum. Maar de reserves van het Mondriaan Fonds zijn bijna uitgeput en dus blijft er straks in totaal zo’n 1 miljoen per jaar over voor alle Nederlandse musea die geld van het Rijk nodig hebben voor een cruciale aankoop. Vergelijk dat eens met 160 miljoen.

En toch. Toch zou die verontwaardiging volkomen misplaatst zijn. Want die twee Rembrandts, hoe duur ook, zijn een aanwinst van jewelste en een unieke kans voor Nederland. En vergelijk de 160 miljoen eens met het bedrag dat jaarlijks in Amsterdam aan parkeren wordt uitgegeven – dat was 166 miljoen euro in 2013.

De verontwaardiging, of beter nog de verontrusting moet zich niet richten op deze aankoop maar op iets anders. Het gaat hier om de vraag: hoe kunnen dezelfde politici die zo snel warmlopen voor dit extra bedrag voor twee kunstwerken er maar niet toe komen extra te investeren in al die relevante beeldende kunst, films, boeken, dans, et cetera die nú worden gemaakt? Die in verhouding tot de twee Rembrandts Nederland een schijntje kosten. Die de verbeelding zijn van onze eigen tijd en daarmee het noodzakelijke voedsel vormen voor een vrije geest, die zo belangrijk is in een open democratie. En waarop door diezelfde politiek drie jaar geleden zo drastisch is bezuinigd.

Behalve verontrustend is dit ook een kans. Met het uittrekken van de tientallen miljoenen voor Rembrandt hebben politici – van links tot rechts – bewezen dat ze van kunst houden en er geld voor over hebben. Nu is het aan ons hen te overtuigen dat er extra investeringen nodig zijn om te zorgen dat ook de rest van het kunstenveld op peil blijft. In het belang van de samenleving van nu en de Rembrandts van de toekomst. En met ons bedoel ik onder meer de kunstwereld. Wetenschapper Robbert Dijkgraaf riep onlangs in een meeslepend opiniestuk op deze plek de kunstwereld op meer te lobbyen richting de politiek. Dat is zeker belangrijk en dat gebeurt dan ook. Maar de beste lobby van kunstenaars bestaat toch uit het werk dat ze maken. Daarvoor zijn ze tenslotte op aarde.

Het is van het grootste belang dat juist ook buiten de kunst die stemmen opgaan, zoals Dijkgraaf dat met zijn opiniestuk zelf in de praktijk bracht. Maar ook u, waarde lezer – en al die mensen die graag naar toneel gaan of naar het museum; die genieten van een fraai ontworpen station of een inspirerende roman en die wegdromen bij een fijne film – naar u luisteren politici toch het best. Als u nou zegt: we willen die twee Rembrandts, jazeker, maar we willen ook meer. Want het lijkt misschien vanzelfsprekend dat we nu nog worden omringd door hoogwaardige kunst – waar overigens in het buitenland met bewondering naar wordt gekeken; ook naar ons fijnmazige subsidiesysteem – maar het stof van de bezuinigingen is nog altijd niet neergedaald. Bezuinigingen die drie jaar geleden naast een schreeuw uit de kunstwereld zelf geen enkele reactie uit de samenleving losmaakten. Dat kan nu anders en met een feestelijker aanleiding: laat deze genereuze bijdrage van het Rijk het begin zijn van een renaissance van de politiek die het lef heeft weer meer in plaats van minder te investeren in kunst en cultuur. Omdat de bezuinigingen er nog harder hebben ingehakt dan we nu al merken. En omdat bovendien, om met Robbert Dijkgraaf te spreken, kunst datgene is wat het leven de moeite waard maakt.