ICT in de klas? Dat gaat zomaar niet

Er is een hoop kwakzalverij op de markt voor onderwijs-ICT. Zoals te leuke programma’s.

Kinderen op de Steve Jobsschool in Sneek werken veel met de iPad. De iScholengroep bepleit computerinzet vooral voor ‘corveewerk’, zodat de leerkracht meer tijd heeft ander onderwijs boeiender te maken. Foto Kees van de Veen

Een klas vol computers zal de prestaties van de leerlingen niet plots bevorderen. En dat is toch ook logisch, zegt Alfons ten Brummelhuis. „Meer pillen maken je ook niet sneller beter.”

Ten Brummelhuis is strategisch adviseur van Kennisnet, een publieke organisatie die het onderwijs adviseert over ICT. Hij zegt altijd dat computers in de klas heel nuttig kunnen zijn, mits ze op de juiste manier worden ingezet. Dat betekent: de juiste programma’s, die passen bij de leerlingen, en een leerkracht die weet hoe alles werkt. En belangrijk: niet te kort of te lang achter het beeldscherm zitten.

Dat laatste is een veel gemaakte fout, weet hij. Het is volgens hem onplezierig om lang achter een computer te zitten. „Maar bovenal geldt in het onderwijs dat je de leerling afwisseling moet aanbieden.” Zodat hij of zij geprikkeld en gemotiveerd blijft. „Variatie is effectiever dan eentonigheid.”

De leerling moet geprikkeld worden

Dan moet er dus nog het juiste computerprogramma gebruikt worden. Er is een hoop ‘kwakzalverij’ op de markt, waarschuwt Brummelhuis. Programma’s die leerlingen demotiveren, omdat er te veel moeilijke of juist te veel makkelijke vragen voorbijkomen. Of software die alleen maar leuk is, en waaraan kinderen eerder verslaafd raken dan dat ze er iets van opsteken.

Nee, volgens Kennisnet hebben leerlingen „aantoonbaar baat” bij zogenoemde adaptieve programma’s. Dat zijn programma’s die zich aanpassen aan het niveau van de leerling. Dus als een scholier meer kan, en dus veel goede antwoorden geeft, zal de computer moeilijker vragen aanbieden. En omgekeerd. Zo blijft de leerling geprikkeld en gemotiveerd.

Die software is ook verrassend effectief voor kinderen die minder makkelijk leren, meent Ten Brummelhuis. De computer zal niet een bom aan moeilijk materiaal op de leerling loslaten, waardoor het kind angstig wordt en faalangst krijgt. „Nee, de leerlingen worden naar een steeds hoger niveau getrokken.”

Volgens Kennisnet is het effect het grootst als het programma aanmoedigt en feedback geeft: kijk hier nog eens goed naar, denk daar over na. Het is ook goed als het tips geeft om de oplossing te vinden, en vervolgens uitlegt waarom antwoorden juist zijn.

Ten Brummelhuis: „Het blijkt dat een computerprogramma beter consequent feedback kan geven dan een leraar. Zo is het dus soms effectiever om op de computer te leren dan klassikaal les te krijgen.” Vooral kinderen met concentratieproblemen hebben er veel aan.

Toch zijn er ook weer twijfels over de adaptieve programma’s. Ze zijn wel goed hoor, zegt Kees van Domselaar van de iScholenGroep, een netwerk van scholen die ervaringen delen op het gebied van informatietechnologie. „Maar het Nederlandse onderwijssysteem leent zich er niet helemaal voor.” Want hier word je geselecteerd op je slechtste vak. Een leerling die minder goed is in talen maar uitblinkt in bètavakken, zal niet snel op het vwo belanden. „De adaptieve programma’s zouden het beste werken in een omgeving waar iedereen op zijn eigen niveau werkt. Dus Frans op havo-niveau, wiskunde op vwo-niveau en geschiedenis op vmbo-niveau. Maar zo ver zijn we in Nederland nog lang niet.”

En dan crashen de computers

Van Domselaar schetst de ervaringen van de zeventig scholen die in het netwerk zitten. In het begin hadden scholen veelal aparte computerlokalen, vertelt hij. „Dat was onhandig en duur.” De scholieren moesten het lokaal uit en als de orde in de klas terug was, bleken de computers te crashen en liepen de frustraties hoog op.

Dat moest anders. Maar hoe? Geen uitersten, zegt Van Domselaar. Dus geen scholen met alleen maar iPads, of juist helemaal geen computers. „Kinderen communiceren via sociale media, hebben allemaal een iPhone in hun zak en checken een verhaal over Napoleon nog even online.”

Daarom zetten de aangesloten scholen de computer nu op „een functionele en effectieve manier” in, zegt Van Domselaar. Dat houdt in dat er computers in de klas staan, die op bepaalde momenten worden gebruikt voor „corveewerk” als leren en automatiseren van woordjes, maar ook voor ontleden, spellen en rekenen. Dingen die de computer niet kan, blijven bij de docent: tekstbeheersing, spreekvaardigheid en creativiteit – zoals toneel en poëzie. „In de toekomst hopen we op deze manier minder tijd kwijt te zijn aan cognitieve vakken, zodat de leerkracht meer tijd heeft om het onderwijs dat overblijft veel boeiender, urgenter en interessanter te maken.”

Geen Ritalin maar flink stampen

Van Domselaar filosofeert over drukke jongens die geen Ritalin meer nodig hebben, maar ’s ochtends achter de computer het stampwerk krijgen en daarna twee uur buiten kunnen sporten.

Kennisnet ziet de mogelijkheden van de computer breder dan woordjes leren. Er zijn ook heel spectaculaire dingen mogelijk, zegt Ten Brummelhuis. Natuur- of scheikundelessen bijvoorbeeld, waarbij je met een simulatiespel een kogel door een toren kan schieten of giftige stoffen kunt mengen. Dat kan in het écht natuurlijk niet op school. Maar op de computer kun je zien hoe je de kogel moet afvuren. En als het niet lukt een doel te raken, dan helpt de computer je tot een antwoord of oplossing te komen.