Grensgebied

Woonachtig op de grens tussen Diemen en de Amsterdamse Watergraafsmeer konden we bij alle beslissingen kiezen tussen twee kwaden. Rechtsaf naar de troosteloosheid van Diemen, of linksaf naar het hai-hai-hai-gebeuren in de yuppenwijk. De eerste keer dat we onze baby naar Diemen duwden, begon ze voor het viaduct al met jammeren.

Was ze niet veel te jong voor Diemen?

We waren op weg naar het consultatiebureau, ik had er vooraf weinig fraaie gedachten over. Ik was op alles voorbereid, op stank, op lawaai, op uren wachten, maar niet op dat we meteen aan de beurt zouden zijn en ook niet op een mevrouw met een fris permanentje die bij mij een verkoudheid meende te bespeuren en die me de goede raad gaf om de komende tijd „maar beter niet snuit-aan-snuit te liggen”.

Lag ze zelf weleens snuit-aan-snuit?

Ons kind werd gewogen en gemeten, de resultaten werden meteen in een Diemense computer verwerkt waarna we complimenten kregen: ze zat qua gewicht en lengte bovenaan in de grafiek die, ze zeiden het er maar eerlijk bij, niet echt het gemiddelde gemiddelde gaf omdat ze de gegevens van Marokkaanse en Antilliaanse kinderen er niet in opnamen. Je kon daar allerlei vragen over stellen – waarom hadden Turkse en Kaapverdische kinderen bijvoorbeeld geen eigen grafiek? – maar er werd ons aangeraden om gewoon tevreden te zijn met de gegevens die er waren.

Beter dan gemiddeld, ik was er blij mee, hoewel ik toen we weer door Diemen liepen even bang was dat ze in een grafiek met alleen maar Diemense kinderen was beland.

Veel kinderen zagen we er trouwens niet, heel anders dan in de Watergraafsmeer waar je struikelde over de blije moeders en vaders met hangzakken en ongevraagde adviezen.

Bij een café aan de Ringdijk in de Watergraafsmeer waar ik met de baby koffie dronk, begon er eentje over ‘oortje blazen’, een truc die hij zich had aangeleerd om zijn kind stil te krijgen. „Je imiteert als het ware het geluid uit de baarmoeder.”

Ik was er ook stil van.

Maar de baby dan toch niet.

Een ander zei: „Je moet er een pink instoppen.”

Zelf had hij ook een pink in zijn kinderwagen zitten. Zijn telefoon ging.

„Ik heb een hele leuke papadag”, zei hij.

Wat ik zag, was een eenling achter een glas bokbier aan de bar, een luiertas op schoot, de pink in de mond van zijn kind.

Zoiets zou je in Diemen nou nooit zien.

Ze hebben daar niet eens bokbier.

    • Marcel van Roosmalen