Van een beetje stoeien naar Nederlands beste worstelaarster

Enige Nederlandse worstelaarster vertrok naar Zweden om op olympisch niveau te komen.

Jessica Blaszka (23): „Ook als ik boos ben, heb ik mezelf onder controle.”
Foto Chris Keulen

Luctor et emergo. Latijnse spreuk die niet is bedacht voor Jessica Blaszka, maar bij uitstek op haar van toepassing is. Ik worstel en kom boven. Zowel letterlijk als figuurlijk heeft de Limburgse sportvrouw zich naar boven gevochten. Pas na een emigratie, verbijten van veel blessurepijn en een low budget leven heeft de worstelaarster de top bereikt. Ze is nu elf dagen de nummer drie van de wereld en mag naar de Olympische Spelen in Rio de Janeiro.

Een worstelaarster? In Nederland? Olympische Spelen? Hoe ongewoon is dat in een land waar een dertigtal vrouwen worstelt volgens de verdeelsleutel: 29 recreatief en één professioneel. Wat drijft Blaszka, een 23-jarige, bescheiden, ruim getatoeëerde blondine uit Landgraaf, om zich te manifesteren in een sport waarin zij als enige Nederlandse uitblinkt? Eerst omdat ze van stoeien hield. Daarna werd ze gegrepen door de worsteltechnieken, zegt Blaszka. Maar vooral omdat ze uit een worstelfamilie komt. Pa, opa, ooms, wie worstelde niet?

Worstelen is niets voor vrouwen

Gepreoccupeerd door haar familie wilde Blaszka als kind al worstelen. Tot ongenoegen van haar vader – de huidige bondscoach – die daar niets van wilde weten. Worstelen is niets voor vrouwen, vond hij. Gym, dat werd de sport voor de zevenjarige Jessica. Maar de gymzaal werd gedeeld met de worstelclub Simson, waarvan pa de trainer was. En Jessica kon het niet laten zo nu en dan onder het scheidingsdoek te kijken, want dáár wilde ze bijhoren. Pas na lang zeuren mocht ze met pa mee. Om nooit meer van het worstelen los te komen.

Tot haar dertiende sparde Blaszka met jongens. Na die leeftijd is gemengd worstelen reglementair verboden. Nieuwe trainingspartners vond ze net over de grens, in Duitsland. „Daar heb je veel meisjes die worstelen en daar zijn de toernooien. Ik trainde met de selectie van Noordrijn-Westfalen, een club in Aldenhoven en later bij de nationale Duitse selectie. Maar nadat bondstrainer Jörg Helmdach naar Oostenrijk was vertrokken, ben ik gestopt. Een goede trainer aan wie ik zeer was gehecht.”

Buurman van 85

In haar zoektocht naar een nieuwe coach kwam Blaszka uit bij de Iraanse Zweed Faribor Besarati en zijn nationale vrouwenselectie. De Nederlandse was welkom bij de Zweedse groep, maar moest daarvoor wel verhuizen naar Klippan, een dorp ten oosten van Helsingborg. Na tweeënhalf jaar is Blaszka geïntegreerd en vertrouwd met haar bejaarde buren in het appartementencomplex. „Gelukkig spreekt mijn buurman van 85 een beetje Engels”, zegt de worstelaarster met een knipoog. Want de overgang was groot en viel haar zwaar. Blaszka hield vol. Uit liefde voor haar sport en gedreven door ambitie.

Die instelling bracht haar onlangs op de WK worstelen in Las Vegas de bronzen medaille. Vooralsnog het hoogtepunt in haar loopbaan, die ook gekenmerkt wordt door tegenslagen. Zo miste ze de Spelen van Londen als gevolg van een zware schouderblessure, die Blaszka anderhalf jaar op non-actief stelde. En ze verspeelde op de vorige WK haar stipendium, waarna ze het afgelopen jaar met een sterk gekrompen budget moest overbruggen. De bronzen plak in Las Vegas bracht haar opnieuw de A-status, waardoor Blaszka in ieder geval tot en met de Spelen in Rio (2016) is verzekerd van inkomen en financiële ondersteuning van haar programma door sportkoepel NOC*NSF.

Hoe ze zich heeft kunnen redden? Blaszka: „Met een bijdrage uit het potje voor ontwikkelingslanden van het IOC. Daar kon ik net mijn huur en vaste lasten van betalen. Dankzij steun van de Nederlandse krachtsportbond en de Stichting Topsport Limburg kon ik naar toernooien, al betekende dat scherp keuzes maken, want niet voor alle buitenlandse reizen was geld.”

Het was frustrerend om op één plaats het stipendium te verliezen, zegt ze „Ik werd negende op de WK terwijl een plaats bij de topacht verlangd werd. Plotseling valt ook de ondersteuning van je programma weg. Dat vind ik gek. Dan is het in Zweden beter geregeld. Mijn teamgenoten worden voor de olympische periode van vier jaar ondersteund. Ik heb me er niet door uit het veld laten staan. Ben je gek. Voor mijn vader was het stressvol. Hij regelt die zaakjes.”

Vechten tegen gewicht

Worstelen is ook een gevecht tegen het gewicht. In Blaszka’s geval betekent het voor elk groot toernooi een vermagering met vier à vijf kilo om uit te mogen komen in de categorie tot 48 kilo. Dat lukt telkens weer, aan de hand van een voedingsdeskundige en een streng eetregime van drie weken. Dat is mentaal ontzettend zwaar, zegt de worstelaarster. „Drie weken aaneen lijd je honger. In Las Vegas moest er op de dag van de weging nog 600 gram af. Dat lukt altijd wel met extra trainingen en bezoekjes aan de sauna, maar zodra de weging is geweest ren ik naar mijn tas voor wat fruit en yoghurt. En ’s avonds heerlijk eten.”

Blaszka krijgt op de mat nog wel eens het verwijt te lief te zijn. Heeft ook te maken met haar worstelstijl. Die is vooral verdedigend. Blaszka verkiest anticiperen boven aanvallen. En een gezonde dosis agressie kan ze steeds beter oproepen. Zonder haar beheersing te verliezen. „Zo lang ik op kwaliteit word verslagen, kan ik tegen mijn verlies. Je moet het eerste half uur even niet tegen me praten, maar ik blijf beheerst. Je zult mij nooit een stoel omver zien schoppen. Ook als ik boos ben, heb ik mezelf onder controle. Ik ben een gelijkmatig mens.”