200 miljard subsidie voor fossiele brandstoffen

OESO: wij zijn totaal schizofreen met subsidies

Steun neemt iets af ...

In een belangrijk deel van de wereld nemen de subsidies op het gebruik van fossiele brandstoffen af, maar de vermindering verloopt in een „schrikbarend” traag tempo. Jaarlijks steunen overheden het gebruik van steenkool, olie en gas nog altijd met tegen de 200 miljard dollar (177 miljard euro). Veel meer dan de subsidiëring van duurzame energie. De uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen blijft zo veel te hoog om te voorkomen dat het klimaat deze eeuw niet verder opwarmt dan 2 graden, zoals internationaal is afgesproken.

Dat staat in een inventarisatie die de organisatie van 34 geïndustrialiseerde landen (OESO) heeft gemaakt van 800 verschillende subsidies op het gebruik van steenkool, olie en gas. De OESO heeft niet alleen de subsidies in kaart gebracht in de eigen lidstaten, maar ook in China, India, Brazilië, Rusland, Indonesië en Zuid-Afrika.

„We gedragen ons totaal schizofreen”, zei de secretaris-generaal Angel Gurria van de OESO gisteren bij de presentatie van het rapport. „We proberen de uitstoot van broeikasgassen te beperken, terwijl we tegelijkertijd de consumptie van fossiele brandstoffen die verantwoordelijk zijn voor de opwarming van de aarde, subsidiëren.” De OESO heeft gekeken naar alle subsidies die in de genoemde landen werden toegekend tussen 2010 en 2015 en vastgesteld dat er jaarlijks tussen de 160 miljard en 200 miljard dollar werd uitgegeven. Het meeste geld ging naar olieproducten zoals benzine en diesel.

Al in 2009 hebben de landen van de G20, waarin een deel van de nu onderzochte landen verenigd is, afgesproken om de subsidies op de fossiele brandstoffen stapsgewijs af te schaffen. Na een recente piek in 2012, lijkt de neerwaartse trend zich inderdaad voort te zetten, aldus het rapport. In 2014 waren de subsidies gedaald met 3 miljard naar 197 miljard dollar. De OESO brengt zijn bevindingen naar buiten in de aanloop naar de VN-klimaatconferentie die eind november begint in Parijs en waar de lidstaten een akkoord zullen proberen te sluiten over verdere beperking van CO2 vanaf 2020.

De neerwaartse trend van dit moment is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de lage olieprijs die in ruim een jaar tijd gezakt is van 110 dollar per vat naar nog geen 50 dollar per vat. Hoe lager de prijs, hoe minder subsidie erbij hoeft voor de consument.

Maar de trend is voor een deel ook toe te schrijven aan nieuw beleid. Zo heeft Mexico het mes gezet in subsidies op benzine en diesel aan de pomp; de steun daalde van ruim 18 miljard dollar in 2012 naar 2,4 miljard dollar in 2014. Ook India heeft de subsidie voor de consumptie van diesel bijna gehalveerd. Het rapport wijst ook op het besluit dat Indonesië aan het begin van dit jaar heeft genomen om alle subsidies op het gebruik van benzine te schrappen en die op diesel aan banden te leggen. Binnen één jaar neemt de Indonesische subsidie daarmee af met 14 miljard dollar.

Het Internationaal Energie Agentschap (IEA) schatte in 2013 dat er wereldwijd 548 miljard dollar aan steun in het gebruik van fossiele brandstoffen werd gestoken.

Het verschil met het OESO-rapport heeft twee oorzaken. Ten eerste neemt het IEA ook het Midden-Oosten en Afrika mee in de berekeningen, dus inclusief landen als Iran, Qatar en Nigeria die gelden als „grootsubsidieerders”. En ten tweede maakt het IEA geen inventarisatie van de verschillende subsidievormen, maar vergelijkt het de benzine- en dieselprijzen met de marktprijzen. Het verschil wordt aangeduid als subsidie voor de gebruiker.

    • Renée Postma