160 miljoen euro voor onbetaalbare kwaliteit

De staat en het Rijksmuseum kopen voor 160 miljoen euro twee Rembrandts. Duur? Goed idee? Tien vragen

bewerking fotodienst NRC

Voor ongeveer hetzelfde bedrag kun je twee JSF-straaljagers kopen. Of één schilderij van Picasso, maar dan ook wel meteen het allerduurste, Les femmes d’Alger, dat in mei dit jaar werd geveild.

Gisteren maakten het Rijksmuseum en de Rijksoverheid bekend dat ze 160 miljoen euro willen uitgeven aan twee door Rembrandt in 1634 vervaardigde huwelijksportretten van de Amsterdamse koopman Maerten Soolmans en zijn vrouw Oopjen Coppit. Ze zijn eigendom van de Franse tak van de bankiersfamilie Rothschild, die ze verkoopt voor 160 miljoen euro. Het kabinet, dat in 2012 nog 200 miljoen bezuinigde op het rijksbudget voor cultuur, betaalt de helft. Het museum moet de rest van het geld nog bij elkaar krijgen.

1 Is 160 miljoen euro veel geld voor twee oude meesters?

De prijzen voor oude meesters vallen in het niet bij die voor impressionistische en moderne kunst. Voor 160 miljoen euro (één Picasso dus) kun je een kasteel volhangen met mooie zestiende- en zeventiende-eeuwse schilderijen, zegt Bob Haboldt, handelaar in oude meesters. Maar deze twee Rembrandts zijn van de buitencategorie, haast hij zich te zeggen. „Van een kwaliteit waar bijna geen prijs op staat.” Haboldt noemt het bedrag dat de staat en het Rijksmuseum betalen „zeer redelijk”. „In Amerika en China zou ik klanten kunnen vinden die zeker 200 miljoen euro willen betalen. Een werk van vergelijkbare kwaliteit vind je niet.”

In 2008 mislukte de aankoop door het Rijksmuseum van het portret dat Rembrandt in 1657 maakte van Catrina Hooghsaet. De Britse eigenaren wezen het bod van 36 miljoen euro af. Volgens Rembrandt-kenner Ernst van de Wetering een geluk bij een ongeluk. „Dat zou ik eigenlijk een betrekkelijke miskoop gevonden hebben vergeleken met deze portretten.” Rembrandt heeft maar weinig van dit soort dubbelportretten geschilderd, zegt hij. „Dat ze samen bewaard zijn gebleven, is heel bijzonder.”

2 Wat is het belang van deze Rembrandts voor het Nederlandse museumbezit?

Rembrandt Harmensz van Rijn (1606-1669) geldt als een van de belangrijkste schilders aller tijden. Hij heeft tientallen portretten geschilderd, maar op de meeste daarvan toonde hij zijn modellen vanaf hun schouders of taille. Er zijn slechts drie vergelijkbare portretten bekend waarop hij modellen ten voeten uit heeft geschilderd. Op twee daarvan, uit de collectie van het Museum of Fine Arts in Boston, zitten de geportretteerden en zijn ze een stuk kleiner. Museum Hessen uit Kassel heeft een ander manshoog, staand portret.

3 Welke Rembrandts hebben we al in Nederland?

In Nederlandse collecties bevinden zich enkele tientallen schilderijen van Rembrandt. De mooiste bevinden zich in het Rijksmuseum (De Nachtwacht, het Joodse Bruidje, de Staalmeesters, Zelfportret uit 1628, Zelfportret als de apostel Paulus), het Mauritshuis (De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp, Portret van een oudere man), Museum Boijmans van Beuningen (Titus) en het Amsterdam Museum (De anatomische les van dr. Joan Deyman). De particuliere Six Collectie is eigenaar van het fraaie Portret van Jan Six. Museum De Lakenhal bezit Rembrandts vroegste schilderij: De Brillenverkoper uit 1623.

4 Waarom verkoopt de familie Rothschild de schilderijen?

Daar kan slechts naar worden gegist. Deze bankiersfamilie, een internationale dynastie van Duits-Joodse oorsprong, is buitengewoon vermogend. De drie broers Alphonse, Gustave en Edmond de Rothschild kochten de twee portretten in 1877 samen met een aantal andere kunstwerken van de erven van Annewies van Winter, die de schilderijen weer had geërfd van haar vader, de Amsterdamse handelaar in verfstoffen Pieter van Winter. Vermoed wordt dat baron Éric de Rothschild, een achterkleinzoon van Gustave, de huidige eigenaar is van de twee Rembrandt-portretten. Éric de Rothschild is behalve bankier ook de beheerder van het kasteel en de bijbehorende wijngaard Château Lafite Rothschild in Pauillac.

In de Franse pers werd gesuggereerd dat de verkoop van de Rembrandts iets te maken zou kunnen hebben met de grote hoeveelheid successie die de familie zou moeten betalen naar aanleiding van het overlijden van de ouders van Éric. Eind 2013 overleed zijn moeder, dertig jaar na de dood van haar man.

5 Waarom mogen de schilderijen Frankrijk verlaten?

Omdat de Franse regering de twee schilderijen niet als ‘nationaal kunstbezit’ heeft aangemerkt. Als dat wel was gebeurd, was de exportvergunning niet afgegeven. Begin deze maand zei de directeur van het Louvre in een interview dat zijn museum de Rembrandts samen met het Rijksmuseum wilde kopen. De ministers van Cultuur van beide landen hadden al met elkaar gesproken. Kennelijk wilde het Rijksmuseum de portretten toch liever alleen kopen.

Pikant genoeg is de vermoedelijke eigenaar, baron Éric de Rothschild, bestuurslid van de Vriendenvereniging van het Louvre. Een feit waar verontwaardigd op werd gewezen in commentaren in de Franse pers na het bekend worden van de exportvergunning voor de Rembrandts. De familie Rothschild heeft in het verleden overigens vele duizenden schilderijen aan de staat geschonken.

6 De staat betaalt 80 miljoen. Hoe gaat het museum de andere helft bijeenbrengen?

Directeur Wim Pijbes wil daarover nog niet veel loslaten. Wel heeft hij eerder gezegd dat hij „met veel mensen” het geld bij elkaar wil brengen. Het belangrijkste hulpmiddel, zei Pijbes, zijn de fiscale stimuleringsregelingen voor schenkers aan goede doelen. Het Rijksmuseum beschikt zelf in elk geval niet over genoeg middelen. De Vereniging Rembrandt heeft 5 miljoen euro toegezegd. Van de BankGiro Loterij krijgt het Rijksmuseum elk jaar 2,68 miljoen euro voor aankopen. De rest van het geld zou bij elkaar gesprokkeld kunnen worden door langs te gaan bij fondsen, zoals het VSB Fonds, en rijke particulieren.

7 Welke particulieren zouden het Rijksmuseum willen helpen?

Dat is gissen. Het museum heeft een aantal bemiddelde vrienden bij wie het voor bijzondere aankopen kan aankloppen. Andere recente aanwinsten, zoals de bronzen sculptuur van Adriaen de Vries, zijn zo (mede)gefinancierd. Die vrienden schenken anoniem. Het lijkt erop dat directeur Pijbes een sterk netwerk heeft en dat onder zijn directoraat het grootste museum van Nederland veel wordt gegund. Sjarel Ex, directeur van Boijmans: „Het Rijksmuseum heeft de wind in de zeilen. Dat is niet alleen Pijbes’ verdienste. Hij staat op de schouders van zijn voorgangers, de reuzen Henk van Os en Ronald de Leeuw.”

Renée Steenbergen, research fellow mecenaatstudies aan de Universiteit Utrecht heeft wel vraagtekens. „Ik ben bij mijn onderzoek onder grote gevers maar weinig Nederlanders tegengekomen die bereid zijn 10 miljoen euro aan een museum te geven. En bedrijven zijn ook niet happig meer om te schenken. Voor de tentoonstelling De Late Rembrandt diende zich geen hoofdsponsor aan.”

Sigrid Hemels, hoogleraar belastingrecht aan de Erasmus Universiteit, is minder sceptisch. Zij wijst op het Amerikaanse vriendenfonds van het Rijksmuseum, waaraan niet alleen Amerikanen maar ook Canadezen, Mexicanen en Israëliërs fiscaal gunstig kunnen schenken. „Het gaat soms om emigranten die Nederland nog een warm hart toedragen.”

8 Hoe heeft de staat zijn bijdrage financieel geregeld?

Het ministerie van Financiën betaalt 50 miljoen euro, het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 30 miljoen. Dat laatste bedrag komt uit het Nationaal Aankoopfonds. Dit potje werd een paar jaar geleden door toenmalig staatssecretaris Halbe Zijlstra van Cultuur (VVD) ingekrompen en bevroren op ruim 30 miljoen; alleen de rente zou nog mogen worden gebruikt voor aankopen door de staat. Het ministerie breekt nu met die regel, want met deze aankoop van 30 miljoen is het fonds bijna leeg. Volgens een woordvoerder van OCW zal het Aankoopfonds „op korte termijn” weer worden gevuld, zodat andere musea er ook weer een beroep op kunnen doen.

Het bedrag van 50 miljoen van Financiën komt uit „meevallers in het dividend van staatsdeelnemingen”, aldus een woordvoerder. De 33 bedrijven waar de staat aandeelhouder van is, zoals de NS, Gasunie en ABN Amro, hebben het daarvoor goed genoeg gedaan. Het ministerie is volgens de woordvoerder ook bereid een bancaire garantie af te geven voor de 80 miljoen euro die het Rijksmuseum nog bij elkaar moet brengen.

9 Waarom heeft de Kamer ingestemd met deze aankoop?

Museumdirecteuren en ministers hebben lering getrokken uit eerdere kunstaankopen. In 1997 liet minister Gerrit Zalm (Financiën, VVD) De Nederlandsche Bank 80 miljoen gulden (36 miljoen euro) betalen voor de aanschaf van Piet Mondriaans Victory Boogie Woogie. Dat was een geste om het afscheid van de gulden te markeren. Maar Zalm had het parlement niet geïnformeerd. Dat werd een rel.

Wim Pijbes betrok D66-leider Alexander Pechtold, kunsthistoricus en oud-veilingmeester, bij het aankoopproces van de Rembrandts. Samen nodigden ze nog zes fractievoorzitters uit voor een geheim beraad in het Mauritshuis, de week voor Prinsjesdag. Alle aanwezigen vonden het een goed idee dit erfgoed terug te halen.

Opvallend is dat VVD-leider Halbe Zijlstra, die als staatssecretaris 200 miljoen euro bezuinigde op cultuur, met Pechtold zijn handtekening zette onder een brief die het kabinet opriep de aankoop mogelijk te maken.

Geert Wilders was niet in het Mauritshuis aanwezig, maar zou hebben toegezegd de aankoop niet in de weg te willen staan. Hoewel de PVV kunstsubsidies verafschuwt, hecht de partij wel waarde aan nationaal erfgoed.

Voor het Mauritshuis heeft de bijeenkomst een leuk staartje, want Pijbes zegde toe dat de twee Rembrandts ook in het Haagse museum mogen worden geëxposeerd.

10 Wat vinden andere musea van deze aankoop?

Axel Rüger, directeur van het Van Gogh Museum, realiseert zich dat de aankoop vragen kan oproepen, „juist in deze tijd”. Maar als museum en overheid koop je dergelijke objecten „voor het land, het nationale geheugen en toekomstige generaties”. „Je hebt zelf niet in de hand op welk moment werken op de markt komen.”

„Goed dat Nederland een supergroot museum heeft dat mondiaal meedoet”, zegt Sjarel Ex. De directeur van Boijmans prijst de overheid, die zo fors bijdraagt aan deze aankoop. Maar, zegt Ex, er is meer dan de zeventiende eeuw. „Geld is conservatief; je ziet dat voor tamelijk veilige aankopen de beurs wordt getrokken. Maar diezelfde overheid heeft het Mondriaan Fonds bijna volledig beroofd van de aankoopmiddelen voor hedendaagse kunst. Het kan toch niet zo zijn dat we in de 24ste eeuw straks de kunst van de 21ste eeuw moeten gaan kopen?”

De directeur van het Mauritshuis, Emily Gordenker, voelt geen jaloezie. „Dit is een kans die je niet laat lopen. Deze werken zijn sinds 1956 niet meer te zien geweest en het zou enorm spijtig zijn als ze weer op iemands slaapkamer terechtkwamen. Te duur? Ons eigen topwerk van Rembrandt, De anatomische les van dr. Nicolaes Tulp, kostte in 1828 32.000 gulden. Een fortuin. Hebben we daar spijt van? Nee. Komen er veel mensen op af? Absoluut. Deze werken vormen onze identiteit. Voor de buitenwereld is dit wat Nederland is.”