Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Milieu en natuur

Dit is wat de wilde eend 's nachts uitspookt

Overdag is hij een kalme dobberaar, 's nachts zwiert de wilde eend langs de sloten en vaarten. Overal zaden uitschijtend.

Wilde eend met een datalogger op haar rug. De datalogger bepaalt met GPS waar de eend zich bevindt. Dit is een vrouwtje; in de studie zijn woerden gevolgd omdat die de logger beter kunnen dragen.
Wilde eend met een datalogger op haar rug. De datalogger bepaalt met GPS waar de eend zich bevindt. Dit is een vrouwtje; in de studie zijn woerden gevolgd omdat die de logger beter kunnen dragen. Foto Erik Kleyheeg / UU

Een beetje dobberen, brood bedelen en de dames lastig vallen. Dat leven van een woerd zien we als we langs de parkvijver wandelen. Maar ’s nachts doen wilde eenden heel andere dingen. Erik Kleyheeg, die woensdag aan de Universiteit Utrecht promoveert, beschrijft in zijn proefschrift het geheime leven van de wilde eend. Hij wilde weten wat de eenden in Nederland eten, en wáár ze dat doen.

Pas ’s avonds, als de zon onder is, begint een eendendag, beschrijft Kleyheeg. Dan vliegen de eenden naar foerageergebieden, die tot enkele kilometers verderop liggen. Eenden zoeken voedsel in kleinere plassen en sloten, met voedselrijk ondiep water. Overdag rusten ze. Ze verzorgen hun veren, houden zich met elkaar bezig en „snacken wat bij”. Kleyheeg: „Ze leven dan op grote plassen met beschutte oevers, waar bomen en struiken groeien. Ze schuilen daar voor dagactieve roofvogels, denk ik.”

Kleyheegs promotieonderzoek maakt deel uit van een project van de Utrechtse ecoloog Merel Soons. Zij bestudeert de verplaatsing van dieren en planten in natte gebieden. Watervogels, denkt ze, zijn daar belangrijke verspreiders van zaden.

Eenden zijn geen zaadeters

De wind voert zaden doorgaans maar enkele tientallen meters mee; en via water reizen zaden alleen binnen één watergebied. Om planten ergens anders naartoe te brengen, zijn watervogels belangrijk. Kleyheeg: „En wilde eenden zijn er het meest.” Anas platyrhynchos komt op het hele noordelijk halfrond voor, in grote aantallen. In Nederland zijn er alleen midden op de Veluwe geen wilde eenden.

Wilde eenden zijn geen typische zaadeters, legt de promovendus uit. „Ze eten alles wat ze voor de bek komt.” Ze slobberen vooral drijvende dingetjes op van het wateroppervlak, maar graven ook in de modder of duiken naar de bodem. „Dan zie je de eend met z’n kont boven het water.”

Ze eten in de zomer vooral kleine waterdieren zoals slakjes, torren en muggenlarven. In de herfst, als diertjes schaars worden, schakelen ze over op plantmateriaal. In de herfst en winter zitten daar veel zaden bij.

Maaginhoud

Hoe het die zaden vergaat, onderzocht de Utrechtse bioloog op allerlei manieren. Hij onderzocht de maaginhoud van eenden die door jagers geschoten waren, en onderscheidde de zaden van 81 verschillende planten. Hij voerde zaden aan gevangen eenden en wachtte tot ze die weer uitpoepten. Hij herhaalde dat zelfs met eenden die in een testbak met stromend water zwommen – actieve eenden houden meer zaden heel.

En hij volgde woerden in vier gebieden, van het oosten tot het westen van Nederland. „Het blijkt dat ze hun verplaatsingen aanpassen. Is er geen water in de buurt, dan vliegen ze verder. Dat betekent dat ze ook zaden zullen verspreiden in een landschap waarin de waterrijke gebieden verder uit elkaar liggen.” Of wilde eenden daarmee méér zaden verspreiden dan andere watervogels, weet Kleyheeg niet. „De kans is groot dat die ook veel bijdragen. Maar het is niet onderzocht.”

Vliegend poepen

De wilde eenden die in Nederland broeden, zijn vooral standvogels. Alleen als de winter erg streng is, trekken ze een stukje naar het zuiden – naar Noord-Frankrijk bijvoorbeeld. Maar er zijn ook wilde eenden die Nederland in de winter bezoeken, vanuit Scandinavië of Rusland.

Toch nemen die geen zaden mee uit die landen, denkt Kleyheeg. „Eenden poepen zaden al na enkele uren uit. En als ze vliegend poepen, is de kans klein dat het zaad op een goede plek terecht komt. Juist voor de lokale verspreiding zijn eenden belangrijk.”