Pas als God het wil, kan Khaled terug naar Syrië

Vlak over de grens met Turkije zitten de Syrische vluchtelingen veilig. Maar hun bestaan is uitzichtloos. ‘Langzaam dooft hier het licht’.

Kamp Öncüpinar bij de Turkse stad Kilis, pal op de Syrische grens. Tienduizend vluchtelingen in een stad van containers. Foto Maëlle Grand Bossi

Het kwam de afgelopen vijf jaar zelden voor dat Mohammed Haj Suleiman (30) en zijn broertje Nejeeb (18) haast hadden. Maar vandaag wel. Ze spoeden zich langs de moskee over de hoofdweg van het vluchtelingenkamp Öncüpinar naar hun container. Hun broer is net gearriveerd. Zo eens in de twee, drie maanden komt hij over vanuit Idlib in Syrië, hemelsbreed 120 kilometer verderop.

„We zijn nog vlakbij huis”, zegt Mohammed. „Maar daar in Idlib is het nu een totale woestenij. Alle huizen zijn kapot. Er is geen medische zorg.” Hij zegt wat hij al bijna vijf jaar zegt, sinds hij in de Turkse stad Kilis aan kwam: „We hopen dat het snel beter wordt, zodat we terug kunnen. Het was niet het plan zolang te blijven.” Over het kampleven klaagt hij niet. „Het is bijna een normaal leven.” Broer Nejeeb is negatiever. „Ik verveel me hier dood.”

Het vluchtelingenkamp met ruim tienduizend Syriërs ligt in het niemandsland, pal op de grens. Vijftig meter naast de hoofdingang wachten vrachtwagens met hulpgoederen en bouwmaterialen bij de grenspost tot ze Syrië in mogen. De meeste overgangen zijn gesloten, maar hier worden nog uitzonderingen gemaakt.

Om het kamp in te komen, halen vluchtelingen geroutineerd hun tassen door een metaaldetector en laten ze de barcode op hun bewonerspas scannen. De meesten komen uit het noorden van Syrië, dat een grens van bijna 900 kilometer met Turkije deelt. Ze hebben nog nauw contact met thuis. Sommigen gaan geregeld heen en weer. Om achtergebleven familie te helpen. Of om mee te vechten.

Bij een politiepost achter een hek naast de kamppoort staan mensen te dringen die Syrië in willen. Een vrouw met een vijf dagen oude baby in haar armen wil naar de begrafenis van haar vader, maar mag er niet door, zegt ze. Een man is naar de dokter geweest in Syrië en wil nu het kamp in, maar de bewakers zeggen dat zijn pasje vervalst is. Een oudere vrouw heeft kiespijn en wil in Syrië naar een tandarts. Tandheelkunde valt niet onder de gratis zorg die de Turkse overheid Syrische vluchtelingen biedt.

Maandelijks 25 euro

Binnen de omheining overheerst rust. Rijen beige wooncontainers van twee kleine kamers plus badkamer liggen langs verharde straten. In geel geklede werknemers van een bedrijf lopen met bezempjes rond en legen de vuilnisbakken. De meeste containers hebben een satellietschotel op het dak. Voor de deuren staan schoenen. Aubergines liggen in de zon te drogen.

In het centrum van het kamp staan een basisschool en een middelbare school. Daartegenover de gebouwen van de kampadministratie en het winkelcentrum. Iedere vluchteling krijgt maandelijks 85 Turkse lira, ongeveer 25 euro, op een betaalkaart gestort. Daarmee kan in de kampwinkels worden afgerekend.

De manager van de winkel zegt dat hij in de gaten houdt dat de prijzen niet hoger zijn dan in de supermarkt van Kilis. Niettemin vinden de vluchtelingen het leven duur. „We bezuinigen op melk en groente. Brood is belangrijker”, zegt Fatima Alomar (46), die met negen personen in een container woont. Op het aanrecht staan plastic flessen waarin ze komkommers en pepers inmaakt voor de winter. „Eens in de maand kopen we een halve kilo vlees.”

Zoals overal in Turkije zijn de scholen in het kamp tot eind september gesloten. De koranklassen gaan wel door. Jonge meisjes met lange hoofddoeken sluiten zich rond het middaguur op achter een zwart gordijn op de binnenplaats naast de moskee. Door het gordijn heen is te horen hoe ze op de uitspraak van soera’s oefenen.

De meesten van de ruim twee miljoen Syrische vluchtelingen in Turkije houden hun eigen broek op door te werken, op spaargeld te teren en huizen te delen. Het is een keihard bestaan. Het leven is duur en Syriërs worden meestal onderbetaald.

In de 25 Turkse kampen, de meeste in de grensregio’s, wonen 260.000 Syriërs. Er zijn veel gezinnen en veel weduwen. Weinigen spreken Engels. Evenmin zijn hier de jonge mannen met universiteitsdiploma’s en iPhones uit Damascus die zich een overtocht met een smokkelaar kunnen veroorloven en die proberen te voorkomen dat ze het leger van Assad in moeten.

Khaled Mem (32) loopt met een zangvogeltje in een klein houten kooitje richting de markt. Hij zit al vijf jaar in het kamp. „Ik ben hier getrouwd. Ik heb hier mijn eerste kind gekregen.” Hij was timmerman. Nu werkt hij niet meer en dat frustreert hem, vertelt hij in de container, waar een ventilator op vol staat om te luchten. Buiten is het 36 graden, binnen niet veel koeler.

Mem is een keer het kamp uitgegaan en werkte drie maanden voor 1.000 dollar, vertelt hij. Maar aan het einde kreeg hij het beloofde geld niet en konden zijn vrouw en hij nergens anders heen dan terug naar hier. Zijn gezin deelde de container aanvankelijk met drie mannelijke familieleden, maar die zijn nu in Syrië om te vechten. Vijftien dagen geleden kwamen zijn schoonouders en schoonzus langs. Die zijn gelijk doorgegaan naar Duitsland, met behulp van een smokkelaar.

„Turkije is beter dan Duitsland. Als God het wil, kunnen we veel makkelijker terug als het regime valt. Eerst was terugkeer het enige waaraan ik dacht. Nu begint dat te veranderen. Wij Syriërs zijn als de Palestijnen, met een crisis die zich maar blijft verlengen en licht dat langzaam dooft. Een toekomst hebben we niet, alleen een verleden en een heden dat te gruwelijk is.”

Er is veel huiselijk geweld in het kamp, vertelt Mem. Mannen slaan hun vrouwen uit frustratie over de oorlog en hun werkloze bestaan. „Mijn vrouw en ik willen het kamp uit. Het is bloedheet in de containers. Geef me goede accommodatie en het recht om te werken, het liefst in Turkije, en ik vergeet Syrië.”

Turkije biedt Syriërs een veilig heenkomen. Ze krijgen gratis gezondheidszorg, mogen naar school en kunnen een werkvergunning aanvragen. Maar ze zijn te gast. De bescherming is in principe tijdelijk en ze maken geen kans op asiel of een Turks paspoort.

In de wereld van de vluchtelingenkampen geldt de Turkse opvang als één van vijf sterren. De containers waaruit een aanzienlijk deel van de kampen bestaat, bieden meer privacy en comfort dan tenten. In Kilis zijn plannen voor een uitbreiding van het kamp met gestapelde containers. Er is onderwijs, een wasserette, een kappersopleiding, een computerlokaal en eten.

Maar het blijven kampen. In de schaduw van een boom naast de speeltuin in het centrum van het kamp hurken mannen in groepjes bij elkaar. Hier krijgen vragen eerst wedervragen. Waarom doet het Westen niets tegen president Assad? Waarom helpen jullie niet de oorlog te beëindigen? Waarom geven jullie pas om ons na de foto van de verdronken Aylan? Waarom vallen er zoveel burgerslachtoffers door de bombardementen van de coalitie tegen Islamitische Staat? „Verenigde Leugenaars is een betere naam dan Verenigde Naties”, zegt Ahmed Ubed (50) bitter. „Als dit zo door gaat heb je straks kinderen van een jaar oud die al bij de terroristen gaan.”

Ayman Hajhussein (36), een magere man met een forse baard, was tankmonteur in het Syrische leger. In Turkije kan hij geen werk vinden, klaagt hij. „Hoe kan ik mijn zeven kinderen voeden?” De taalbarrière is te groot, zegt hij. Ook na jaren in de kampen spreekt nog vrijwel niemand Turks. Zijn hoofd is bij de strijd, een paar kilometer verderop. „Al het lijden, het verdriet en het geldgebrek dwingen me om bij de extremisten te gaan”, zegt Hajhussein. De anderen op het gras knikken begripvol. Het is het gebruikelijkste alternatief voor een vlucht naar Europa of de ledigheid van een kampbestaan. „Zij zijn de enigen met geld.”

    • Marloes de Koning